Terug

Parade

Acht zomervakanties lang stelde mijn vader een vakantieboek samen, waarin hij alle belevenissen die ik met mijn zusje meemaakte, in tekst en beeld samenvatte. Een van de eerste vakantieboeken staat vol met foto’s gemaakt in Disneyland Parijs, een reis waarvan ik me, ondanks de vele plaatjes waarop ik met een gelukzalige glimlach op m’n tienjarige kindersmoel naast Disneyfiguren sta, weinig herinner. Het meest van alles staat me de lichtparade bij, een optocht waarin elk denkbaar wezen uit elke denkbare Disneyfilm vrolijk vertegenwoordigd werd. Dat in werkelijkheid tientallen, honderden verveelde en armzalige studenten in die pakken huisden, wist ik niet. Mocht dat wel in mijn hoofd zijn opgekomen, was me een vervelende afgang bespaard gebleven: door de ondraaglijke spanning én door de vier glazen cola die ik van tevoren had genuttigd, liet ik de spieren die me ’s nachts voor vieze lakens behoedden, ontspannen. Pas toen ik zeker wist dat de warme substantie die ik langs mijn dijbenen voelde stromen niet werd veroorzaakt door gemorste koffie van mijn achterbuurvrouw of door een andere niet al te veel schaamte opwekkende wijze, draaide ik me met een roodgekleurd hoofd om. Terwijl Aladdin, vreemd genoeg hand in hand met zijn aartsvijand Jafar, aan me voorbijtrok, lichtte ik mijn vader in. ‘Sorrysorrysorry,’ zei ik.

Luttele minuten voor dat incident – overigens de voorlaatste keer dat ik mijn urine de vrije loop liet, het gebeurde een aantal jaar nog éénmaal toen ik tijdens een halloweentocht mijn vriendin Lisa uit de grijpgrage klauwen van een zombie probeerde te redden – luttele minuten voor dat incident dus werd een foto gemaakt die mijn vader in het vakantieboek opnam. Stoer en onbezorgd staar ik in de lens van de wegwerpcamera, terwijl op de achtergrond Minnie Mouse dansend op een rijdend kasteel staat. Mijn ogen stralen een onaantastbaarheid uit, mij maak je niets, en toch moet ik reeds gevoeld hebben dat er in de overbevolkte holte onder mijn darmen werd geprotesteerd. Maar mijn ogen zochten het plein niet af naar een toilet, ik richtte mijn blik op de kleine zwarte stip in het kleurrijke doosje dat mijn vader voor zijn gezicht hield. Ik hield me sterk, zoals jongetjes van tien horen te doen. Ik hield me sterk, ook toen ik me had omgedraaid en me had verontschuldigd. Ik hield me sterk. Ik hield me sterk. Ik hield me sterk, totdat mijn vader zijn armen spreidde. Ik hield me niet meer sterk, waarom zou ik ook. In de veilige armen van papa huilde ik, zo hard dat Aladdin het verderop waarschijnlijk ook nog heeft gehoord, grotejongenstranen om kleinejongensongelukjes.



Terug