Terug

Sterren

Voorafgaand aan de eerste nacht die Lisa en ik sliepen in het bed dat we van onze eigen centen kochten, plakten we kleine lichtgevende sterretjes op het plafond van de versgeverfde slaapkamer die rook naar spiksplinter. De sterretjes deden haar denken aan het strand, zei ze toen we die avond in bed lagen. Ze brachten haar terug naar het strandhuisje waar ze als miniversie van zichzelf tijdens allesverzengend hete zomers in slaap wiegde, zo nu en dan een blik naar buiten werpend, waar de sterren en de maan de heldere hemel versierden waarna de geluiden van de zee haar in haar dromen vergezelden.
‘Dan zul je wel lekker kunnen gaan slapen,’ fluisterde ik haar toe. Ik zag in het donker de sterretjes in haar ogen fonkelen en kuste haar welterusten. Weldra bereikten mij geluiden van diepe rust en vrede met het leven. Zo niet bij mij – ik woelde en woelde, onwennig zwetend in het bed dat Lisa en ik die middag samen in elkaar hadden gegodverdegodverd. Makkelijk was dat niet geweest: beiden aan één kant van het nodeloos ingewikkeld IKEA-bouwpakket maakten we ruzie zoals dat alleen kan als je écht van elkaar houdt. Uiteindelijk was dat als vanzelf weer goed gekomen, hadden we ons met elkaars onkunde verzoend, zoals in dat in de jaren die volgden vrijwel dagelijks zou voorvallen.

In de loop der jaren verloren de sterren hun schijnkracht, en toen we ze afgelopen week met moeite van het plafond schraapten om ze later in de prullenbak te mieteren, bleken het niets meer dan waardeloze stukjes plastic.
Weet je nog, zeiden Lisa’s ogen toen ze de mijne vonden, die eerste nacht. Toen we lagen. Toen we. Toen ik zei van het strand, van het dromen en de zee. Toen jij. Toen, die eerste nacht.
Ja, antwoordde ik woordeloos, ik weet het nog. Van toen jij wel en ik niet. Van jou toen die zachte geluidjes en van mijn gezucht. Van hoe die sterren me uiteindelijk. Van de verlossende slaap. Van de stilte, van ons.
‘Die sterren gaan dus niet weg,’ waren de woorden waarmee ik de stilte doorbrak. ‘Kan me geen donder schelen of ze nog schijnen of niet: in onze nieuwe slaapkamer hangen we ze gewoon weer op.’
Dat was goed, antwoordden haar ogen geruststellend zacht. Ze belanden niet in de prullenbak, maar op het plafond van onze nieuwe slaapkamer, die weldra versgeverfd zal zijn en zal ruiken naar spiksplinter. Vanuit hetzelfde bed, nogmaals samen in elkaar geklooid, zullen ze me dan weer de sussende slaap in leiden.



Terug