Terug

Tekening

Op de vijfentwintigste dag van de tweede maand van het jaar 2004, ik was op dat ogenblik acht jaren oud, heb ik een stapeltje potloden ter hand genomen en ben ik als een malle gaan tekenen, blijkens het velletje papier dat ik nu onder ogen heb. Met een gepast abstractievermogen tekende ik voor opa en oma twee spitse bruine bergen, met in het midden een blauw huis dat memoreert aan de scheve toren van Pisa. Aan weerszijden van dat huis beklimmen twee individuen de bruine bergen – de rechter gaat dat aanzienlijk beter af dan de linker. Afijn, de lucht is blauw, een immer gelukzalige zon schijnt vrolijk glimlachend aan de hemel, wat kan er misgaan? De toekomst, de toekomst, de toekomst: een woord dat ik toen, naïef vrolijk nog, zonder angst en onzekerheid, zelfs bijna verlangend, tegemoet kon zien. De toekomst: een ongedefinieerd iets waar mama en papa me doorheen zullen loodsen. Toekomst.

Rechtsboven op de tekening, naast de immer gelukzalige zon, staat in mijn oma’s handschrift de datum waarop ik de tekening heb overhandigd. Dat handschrift herken ik uit honderdduizenden. Talloze tekstjes schreef ze daarmee, versjes in vriendenboekjes, lieve briefjes bij het opstaan, boodschappenlijstjes die we samen afwerkten in te drukke supermarkten. Nu, nu ze geen vriendenboekjes meer heeft te vullen, nu ze gewekt moet worden en nu de supermarkt tot de boze buitenwereld behoort, is deze tekening op haar zolder tevoorschijn gekomen bij het leegruimen van haar huis. Het velletje, al die jaren goed en veilig geconserveerd, ligt nu voor me terwijl ik met trefzekere doch melancholieke slagen het toetsenbord van mijn laptop bespeel. Ik lees eens terug wat ik zojuist schreef.

Inmiddels weet ik beter. De afgelopen jaren leerde ik de toekomst niet zonder meer juichend te ontvangen. Naast de aangename verrassingen die de toekomst in het verschiet hebben kan, zit er eveneens een hoop ellende tussen. De mensen maken ruzie, schelden op elkaar. Mensen vallen weg, mensen blijven achter. Mensen, maar ook huizen. Huizen vallen weg, huizen blijven achter. Zolders van die huizen blijven te lang donker, lichtknopjes worden niet meer door gerimpelde handen beroerd. Dozen staan te wachten tot ze voorgoed worden weggetild. Spullen in die dozen worden uiteindelijk gesorteerd of weggedaan, naar het Rode Kruis of het grofvuil. Tekeningen liggen, wachten ongeduldig. Uiteindelijk keren ze terug, zij wel, en worden nog eens bekeken. Wellicht valt er een traan op het papier die de vijftien jaar oude potloodstrepen doet vervagen. De potloodstrepen, de gele potloodstrepen … van de immer gelukzalige zon.



Terug