Terug

Tupperware

In een van de onbewaakte momenten waarop Lisa vraagtekens zette bij alles wat het leven rijk is, besloot ze zich onder te dompelen in de wondere wereld van de afsluitbare bakjes in twaalfduizend soorten en maten, plastic drinkbekers, lunchdozen, en wat al niet meer. Met andere woorden: ze was van plan toe te treden tot de schimmige sekte die Tupperware heet.

Daartoe nodigde ze een tupperwarebaas uit, die op een dinsdagavond voor onze deur stond om mijn vriendin in te lichten over de werkwijze van de zogenaamde ‘consulenten’ – een mooi woord voor een ordinaire omzetmachine die zoveel mogelijk re-vo-lu-tio-naire roestvrijstalen keukenmessen van de hand moet doen. Ik zat een eindje verder op de bank. Ik had mijn oordopjes in om de suggestie te wekken dat ik me van de rest van de wereld afsloot, maar in werkelijkheid stroomde er geen muziek mijn gehoorgang binnen waardoor ik het gesprek nauwgezet volgde.
‘Het gaat alles om doorgroeien,’ zei de man. ‘Als je goed verkoopt, klim je omhoog in de piramide. Dat komt neer op meer geld. Meer geld is goed. Heel goed.’
‘Ja,’ hoorde ik mijn vriendin rustig zeggen. ‘Hoe moet je de spullen dan verkopen aan de klanten?’
‘Nee. Nee.’ De man was even stilgevallen en had zijn ogen tot spleetjes geknepen. ‘Hoeren, die hebben klanten. Wij hebben gasten.’
‘Gasten,’ zei Lisa rustig. ‘Hoe verkoop je de spullen aan de gasten?’

Als antwoord op deze vraag had de man drie lange kwartieren aan een stuk gesproken over zijn eigen ervaringen als succesvol tupperwareconsulent (‘ik rijd zelfs een auto van de zaak’), en na die vijfenveertig minuten wilde ik weinig liever dan zijn beide handen tegelijkertijd in twee uiensnijders met levenslange garantie proppen. Lisa was al die tijd kalm gebleven, had vriendelijk geknikt en hem gezegd dat ze er ernstig over ging nadenken. Toen hij met de mededeling dat Tupperware niet zomaar producten zijn, maar dat het meer ‘een manier van leven is’ de deur achter zich had dichtgetrokken, rukte ik agressief de doppen uit mijn oren.
‘Dat gaan we toch zeker niet doen,’ zei ik, haast briesend.
‘Nee. Dat ga ik niet doen.’
Een grote opluchting maakte zich van me meester. In literatuur moet je altijd om de hete brij heen draaien, nooit gelijk zeggen wat je bedoelt, show don’t tell en alles van dat soort – maar soms moet je daar schijt aan hebben. Daarom: ik bewonder Lisa om haar vermogen interesse en liefheid te veinzen. Het is een eigenschap die ik absoluut ontbeer: wanneer mij iets niets bevalt, is dat vrijwel meteen van mijn gezicht af te lezen.
‘Hij gaat mij morgen bellen,’ zei Lisa, ‘om te horen wat mijn beslissing is geworden. Ik heb …’ Ze viel stil.
‘Ja?’ vroeg ik. ‘Je hebt …?’
Er verscheen een gezichtsuitdrukking die zich lastig in taal laat vangen, maar ik zal een poging wagen: schuldbewustheid met een glimlach. Zoiets. ‘Ik heb hem jouw nummer gegeven,’ zei ze zacht en ik wist dat ze het meende. ‘Ik zag je blik tijdens ons gesprek,’ ging ze giechelend verder, ‘en ik vond dit wel grappig. Nou, hij belt je morgen. Geef je door je dat je niets liever wil dan ook een auto van de zaak?’ Ik zuchtte en nam mijn hoofd in mijn handen. Mijn ogen speurden de omgeving af naar een re-vo-lu-tio-naire uiensnijder, maar konden die helaas nergens vinden.



Terug