Een klassiek Engels liefdesverhaal

Eerst werd er gesproken en toen werd er gezwegen. Voor Jules was het een verademing wanneer tijdens een gesprek stiltes vielen. Het waren momenten waarin hij de tijd nam de eerder gesproken woorden aan een korte analyse bloot te stellen of om zich voor te bereiden op de woorden die zouden komen. Dat maakte dat hij momenten waarin niet werd gesproken tot de beste van de dag rekende. Zelden tot nooit voelde hij zich ongemakkelijk wanneer de gesproken taal het tijdens een gesprek plots verloor van de stilte. Voor zover hij kon inschatten, gold dat voor de vrouw tegenover hem ook.
De stilte die tussen de twee groeide, was lang en hard. Jules staarde uit het raam en zag in rap tempo ontelbare bomen aan zich voorbij schieten.
De vrouw rommelde in haar tas, waarschijnlijk op zoek naar niets. Jules was ook op zoek naar niets en had zichzelf daarom getrakteerd op een weekend Maastricht, waar hij samen met een studiegenoot zou logeren op de camping van diens ouders. Twee jaar eerder had hij hetzelfde ondernomen, en dat was uitgelopen op een groot succes. Het litteken dat hij overhield aan de spontane en door drank ingegeven spong van de Sint Servaasbrug in de Maas, was nog altijd zichtbaar op zijn rechterknie. Spijt van zijn dollemanssprong had hij weinig.
De zomervakantie stond voor de deur, en ook dat was een reden geweest om zijn vertrouwde omgeving te verlaten en naar het zuiden af te reizen. Al met al was het een aardig lange treinrit, maar dat maakte Jules weinig uit. Met een studieboek onder zijn arm had hij plaatsgenomen in de boemeltrein, die hem naar zijn bestemming zou brengen.
Ze was tegenover hem komen zitten, en vrijwel meteen had hij geweten dat zij het zou worden. Die vrouw, dacht hij toen ze hem vriendelijk had toegeknikt, deze vrouw wordt de hoofdpersoon in het boek van mijn leven. Wat voor boek dat zou worden, daarvan had Jules toen nog geen idee. Alles wat hij op dat moment wist, is dat hij er alles aan zou doen om de vrouw mee te slepen in zijn verhaal, ondanks dat hij zijn eigen hart twee weken eerder nog had gebroken. Soms moest je een punt zetten achter dingen als ze op het eerste oog goed voor je leken te zijn, en soms moest je doorzetten als het leven vreselijk leek. Verliefdheid komt, wist hij, altijd onverwachts en meestal ongelegen. Daartegen vechten is zinloos, beter is het meteen toe te happen. Met de ogen stijf dicht en de neus dichtgeknepen in het diepe springen, dat is het enige wat de hopeloos verliefde kan doen. En ondanks dat hij ook al ervaren had dat elke verliefdheid is als een almaar dunner wordend touw waaraan geliefden in de loop van de maanden steeds harder gaan trekken, wilde hij niets liever dan haar. Mijn boek wordt een klassiek negentiende-eeuws Engels liefdesverhaal, dacht Jules op dat moment.

‘Kun je het vinden?’ waren de woorden waarmee de jonge Jules uiteindelijk toch de stilte doorbrak. De vrouw keek op uit haar tasje en glimlachte.
‘Ja,’ zei ze en viste een dieprode lippenstift uit de tas. Vrijwel gelijk begon ze met het bijstiften van haar lippen. Een spiegeltje had ze blijkbaar niet bij zich, want ze gebruikte haar eigen weerspiegeling in het treinraam naast zich. Jules keek gefascineerd toe, maar vond niet dat het vuurrode haar voorkomen aantrekkelijker maakte. Over het algemeen was hij geen groots voorstander van make-up. Vrouwen hebben dat niet nodig, vond hij. Als dat wel zo was geweest, zouden ze wel met foundation en al uit de baarmoeder gekropen zijn. Hij grinnikte om zijn eigen gedachten.
‘Leuk?’ vroeg de vrouw. Jules schrok, wist niet wat ze met haar vraag bedoelde. Daarom antwoordde hij maar bevestigend. ‘Aha,’ zei ze. ‘Waar ga je eigenlijk naartoe?’ Ze borg haar lippenstift weer op en keek Jules strak aan, waarbij ze haar hoofd een beetje schuin hield. Dat laatste zou ze in de jaren die volgden telkens doen wanneer ze iets voor elkaar wilde krijgen. In de bioscoop naar een romantische komedie, op een doordeweekse avond naar de sauna, een weekend naar Parijs met haar vriendinnen. Tot aan het einde had hij de aanblik van haar schuine hoofd nooit kunnen weerstaan – zo ook die eerste keer niet. Jules vertelde dat hij naar Maastricht ging en wat hij daar ging doen, vertelde van de vorige keer. Hij vertelde honderduit en voordat hij het wist had hij zijn broekspijp opgerold en liet hij haar het litteken zien. Ze aanschouwde de snee op zijn knie.
‘Mag ik eens voelen?’ vroeg ze, terwijl ze haar hand al had uitgestoken. Zonder dat Jules antwoord had gegeven, aaiden haar fluwelen vingers over de plek die hij ooit voor het leven had beschadigd. Gebiologeerd keek ze naar Jules’ knie.
‘Doet het nog veel pijn?’ vroeg ze. Jules schudde resoluut het hoofd. Pijn, dat was niets voor Jules. Je kon van hem zeggen wat je wilde, maar een pijnpieper was hij niet.
Nu pas viel het hem op dat sommige medepassagiers naar hen omkeken. Sommigen geamuseerd, anderen verbaasd of zelfs geïrriteerd. Waar hij zich anders gegeneerd zou hebben, bemerkte hij nu bij zichzelf onverschilligheid. Laat ze maar staren, dacht Jules. Laat ze de proloog van ons liefdesverhaal maar lezen.
Ze was weer achterover gaan zitten en keek naar buiten. Jules stroopte zijn broekspijp weer omlaag. Een stilte trad in. Alweer. Ze kuchte. Jules kuchte. Hij keek haar aan.
‘Mag ik met je mee in Maastricht?’ vroeg ze toen plots, en hield haar hoofd een beetje schuin.

Terug