Heel erg dood

Het kwam zelden voor dat Jules een nacht door kon slapen zonder gewekt te worden door gedachten die hem dwars door zijn dromen heen kwelden. Ook de nacht na het paniektelefoontje van Martijn waarvoor Jules meteen op zijn fiets was gesprongen, kreeg de slaap lastig vat op hem. Jules realiseerde zich door die gebeurtenis meer en meer dat alwéér een hoofdstuk van zijn leven afgesloten was. Alhoewel het niet heel vaak gebeurde, had hij het die nacht toen hij wakker schrok niet tegen kunnen houden. Vrijwel meteen was hij in huilen uit gebarsten.
‘Ach, ik ben alleen emotioneel incontinent,’ had Jules twee weken eerder gekscherend tegen zijn buurvrouw gezegd toen zij hem vroeg of hij al last had van ouderdomskwaaltjes. Ze had geglimlacht om zijn opmerking en vervolgens had ze twintig minuten aan één stuk geklaagd over wat haar zowel fysiek als mentaal allemaal dwarszat. Na drie zinnen was Jules afgehaakt met luisteren en had hij op de automatische piloot ga-doorsignalen gegeven – zijn gave altijd en overal tegen iedereen vriendelijk te kunnen knikken was wat hem ooit tot supermarktmanager had gekroond.
Emotioneel incontinent, dat waren woorden die de lading dekten. Jules huilde, liet zijn tranen de vrije loop. Vaker dan eens, ook die bewuste nacht, greep hij op die momenten in bed naast zich. Waar een warm lichaam rustig had moeten liggen slapen, vond hij telkens niets anders dan een hopeloze leegte. Die nacht had hij vanaf twee uur niet meer kunnen slapen. Nog even probeerde hij het, maar toen hij vijfentwintig minuten voorbij had zien komen op zijn wekkerradio, vond hij het mooi geweest. Hij stond op uit bed en kleedde zich, ondanks het onooglijke uur van de dag, netjes aan. Jules vond dat als je geen waardigheid richting jezelf kon tonen, het ook niet verwacht kon worden dat je anderen met respect tegemoet trad. Hoe dan ook, nadat hij was aangekleed en even op de bank had gezeten, bedacht hij dat wat frisse lucht geen kwaad zou kunnen.
‘Even de benen strekken,’ zei hij tegen niemand dan zichzelf, terwijl hij zich met moeite van de bank hees.

Zoals hij verwachtte was het op de straten in de woonwijk waar zijn huis stond, erg rustig. Desalniettemin bemerkte Jules een lichte angst bij zichzelf. Wat nu als…, dacht hij steeds. Als, als, als... De nodige scenario’s schoten door zijn hoofd, maar wat er werkelijk gebeurde had hij in geen honderd jaar kunnen bedenken.
Heb ik dat, dacht Jules toen hij de man opmerkte. Midden op de straat zat een kleine man, die zo te zien nog ouder was dan Jules.
‘Ik wil dood,’ zei de man zacht toen Jules met een vragende blik voor hem was verschenen. ‘Ik wil heel erg dood.’
‘Tsja,’ antwoordde Jules. Hij vond dat een goede reactie van zichzelf, omdat niets eraan zijn complete verrastheid verried. ‘Het lijkt me ondanks alles toch het beste dat je even van de straat af komt,’ ging hij verder, ‘want voor je het weet lig je onder een wagen.’ Achteraf gezien vond hij dat dan weer een behoorlijk achterlijke opmerking, omdat dat waarschijnlijk juist was waar de man naar verlangde. Opvallend genoeg wierp die uitspraak toch vruchten af, want de man haalde zijn schouders op, ging rechtop staan en wandelde rustig van de straat af. Toen de man op hem af liep, merkte Jules op dat de man was omringd door een alcohollucht die zijn neusharen spontaan aan het trillen bracht en zijn herinneringen in werking zette.

In enkele seconden flitsten beelden door Jules’ hoofd. Het waren met hersenmist omhulde herinneringen van daklozen die hij in de loop van de jaren zijn winkel uit had moeten schoppen omdat hun afstotelijkheid klanten angst aanjoeg. Tijdens wat zijn herinnering in zou gaan als een van de ergste werkavonden uit zijn carrière, had een zwerver in zijn broek gescheten bij de koffietafel. Zijn haast vloeibare ontlasting was langs de stoelpoten omlaag gedrupt, tot er een hoopje verzamelde poep op de supermarktvloer lag. Toen Jules, gewaarschuwd door enkele vaste klanten, aankwam bij de koffietafel, vond hij de man met zijn hoofd op zijn armen, die hij over elkaar geslagen op de koffietafel had liggen. Met moeite kreeg hij de man zover op te staan en de winkel te verlaten. Tijdens die exercitie had hij al besloten dat hij het zijn personeel niet aan zou doen om de rotzooi op te ruimen. Nee, vond hij, een goede supermarktmanager besteedt niet alle rotklussen uit en is ook bereid zijn eigen handen vies te maken. Tien minuten later zat hij, met een voordeelpak vochtige doekjes naast zich, de stront van de vloer te vegen.

De oude man op straat leek echter nog voldoende bij bewustzijn om zijn darmperistaltiek onder controle te houden. Toen hij Jules was genaderd en hem wilde omhelzen, was Jules teruggeweken.
‘Nu even niet,’ zei Jules.
‘Misschien straks?’ vroeg de man met driedubbele tong. Jules voelde hoe wanhoop zich vanuit een ruimte achter zijn longen een weg naar voren vocht.
‘Misschien straks,’ antwoordde hij maar, voornamelijk om van het gezeur af te zijn.

Als teken van dank dat Jules de oude man had meegetroond naar zijn huis, had de man meermaals geprobeerd Jules te omhelzen. Telkens weer was Jules achteruit gedeinsd.
‘Jules,’ zei de man nog voordat hij plaats had genomen op de bank, en daar begon het bonken van zijn hart. Jules had hem zijn naam niet verteld.
‘Hoe weet jij hoe ik heet?’ vroeg Jules.
De oude man had hem even aangekeken. In die paar seconden probeerde Jules wanhopig iets te herkennen in het gezicht van de man, een herkenning die zou verklaren hoe hij Jules’ naam kende. Een moedervlek die plots zijn identiteit zou ophelderen, een rimpel die bekend voorkwam. Het was tevergeefs. Jules wist het niet. Een oud-medewerker van de supermarkt kon het niet zijn. Al die gezichten stonden als rotstekeningen in zijn geheugen gekerfd. Een oud-schoolgenoot, dat zou kunnen. En anders wellicht een buurtgenoot van vroeger. Die gezichten waren in de loop van de jaren vervaagd. Jules hield het daarop: een oud-schoolgenoot of een buurtgenoot van vroeger. Dat stelde hem gerust.
‘Jules,’ zei de man weer zonder antwoord te geven op de vraag, ‘Jules, ik moet je wat vertellen.’

Terug