Het eind van het begin

Voor de allerlaatste keer stak Jules de sleutel in de sloten van de grote voordeur. Drie sloten waren in de deur verankerd: één bovenaan, één in het midden en één onderaan. Vooral het sluiten van het onderste slot kostte Jules de laatste maanden steeds meer moeite. Steevast ondersteunde hij met zijn linkerhand zijn rug wanneer hij door zijn knieën moest om het derde slot te sluiten.
Het avondritueel dat hij sinds veertig jaar uitvoerde, was een van de dingen die hij niet zou gaan missen. Eerst het uitzwaaien van de klanten, dan het uit de winkel vegen van het hardnekkige volk dat zich elke avond opnieuw aan het koffieapparaat vastgeklampt leek te hebben, dan het sluiten van alle deuren, het praatje met de groenteman en ten slotte de inspectieronde bij de kassa’s. Daarna, als hij had gezien dat alles voor zover mogelijk in orde was, wandelde Jules rustig naar zijn kantoor achter in de winkel waar hij zijn jas van de kapstok nam en de zwart-witfoto van zijn vrouw, die hij elke ochtend opnieuw op zijn bureau neerzette, in zijn tas stopte. Daarna blies hij, veertig jaar lang, vijf dagen per week, stil de aftocht via de achteruitgang. De vulploeg- en kassaleiders zorgden dat de winkel netjes achtergelaten zou worden voor de volgende dag.

‘De laatste keer,’ zei de groenteman nadat alle deuren waren gesloten. Karel was een man van weinig woorden, maar met passie voor zijn afdeling. Als ik een wortel of komkommer was, had Jules eens gedacht, dan zou ik door Karel in mijn schap willen worden gelegd.
‘Zo is dat,’ antwoordde Jules, ‘de laatste keer.’ Omdat hij niet te lang stil wilde blijven staan bij wat tranen op kon wekken, complimenteerde hij Karel met de afdeling. Deze knikte als teken van nederige dank, en voegde daar dienstplichtig aan toe: ‘Vanzelfsprekend, Jules.’

Terwijl Jules zich door de eindeloze gangen met rijst, pasta, ketchup, diepvriespizza’s, shampoo voor krullend haar en hondenvoer een weg naar de kassa´s baande, sloeg hij af toe een zestien- of zeventienjarige verveelde vakkenvuller amicaal op zijn schouders. ‘Wel doorwerken,’ zei hij, ‘en niet te veel ouwehoeren.’ Deze uitspraken, die hij steevast combineerde met een vette knipoog, waren in de loop der jaren volledig geautomatiseerd. Soms sprak Jules ze uit, en merkte hij pas toen hij de knipoog gaf dat het tot spraakproductie was gekomen. Welbeschouwd, bedacht hij op een ochtend, gold voor het gros van zijn werkzaamheden dat ze volkomen waren geautomatiseerd. Toen hij zich dat met een schok had gerealiseerd, inmiddels iets meer dan een half jaar geleden, had hij zijn conclusie getrokken. Alhoewel hij nog een aantal jaar van de pensioengerechtigde leeftijd verwijderd was, besloot hij het bijltje erbij neer te gooien. ‘De handdoek in de ring,’ had hij glimlachend tegen Martijn, de assistent-manager, gezegd om de keuze definitief te maken. Deze had Jules begripvol aangekeken, en het gesprek beëindigd door aan te geven dat hij interesse had Jules’ positie in te nemen.
‘Alles op zijn tijd,’ was Jules’ antwoord. Ondanks dat hij de opmerking van zijn assistent uiterst onbeschoft vond, voelde hij hoe een last van zijn schouders viel nu hij de bevrijdende woorden uit had gesproken.

‘Heb je eigenlijk al plannen voor de komende jaren?’ vroeg Renate, het afdelingshoofd van de kassa’s. Eerlijkheidshalve moest Jules antwoorden dat dat niet het geval was. Hij had bedacht een weekend door te brengen op de boot van zijn broer en om samen met hem een middag te varen, maar daarmee waren de dagen tot aan zijn dood niet gevuld, zei hij lachend. ‘Je hoeft dat ook nog helemaal niet te weten.’ Renate nam haar baas bij zijn beide schouders en kneep daar zachtjes in.
‘Ga er lekker van genieten,’ vervolgde ze. ‘Geniet van de rust die komen gaat, samen met je vrouw. Doe haar maar veel lieve groeten.’
‘Zal ik zeker doen,’ zei Jules en hij knikte. Rustig wandelde hij naar kantoor, nam zijn jas van de kapstok, pakte daarna de zwart-witfoto van zijn vrouw en stopte hem in zijn tas. De laatste keer, schoot het steeds door hem heen. De laatste keer. De rest van zijn spullen zou hij later nog ophalen. Geheel zijn ritueel volgend wachtte hij tot er niemand meer in de buurt van de achteruitgang was, en vertrok met stille trom.

Na een fietstocht van tien minuten waarin de stilte hem vergezeld had, kwam Jules thuis. Op de bank wachtte, zoals al meer dan twintig jaar, helemaal niemand. Jules hing zijn jas aan de kapstok, haalde het belangrijkste uit zijn tas en met de foto onder zijn handen liep hij de trap op, richting de slaapkamer. Niet veel later kroop hij, met zijn kleding aan, in een leeg bed, waar hij al met al redelijk snel in een lichte slaap viel.