Ik snap er geen barst van

Jules vermoedde dat de werknemers van zijn winkel een afscheidsfeest voor hem zouden organiseren. Enerzijds vervulde de gedachte dat hij in het middelpunt van de belangstelling zou komen te staan hem met afschuw, anderzijds keek hij uit naar de waardering van zijn medewerkers. In de loop der jaren had hij zelf ook de nodige afscheidsfeesten vormgegeven. Er was een vast format voor dergelijke feesten, maar daar hield Jules zich nooit aan. In plaats van een fles goedkope huiswijn en bos reeds verlepte bloemen die werknemers met een vaste aanstelling volgens het boekje zouden moeten krijgen bij hun afscheid, zorgde hij telkens voor een groots cadeau dat betaald werd uit een speciaal daarvoor in het leven geroepen potje. Meestal verraste hij zijn werknemers ook, door ze op een onverwacht moment met een smoes naar de winkel te roepen, waar ze dan werden opgewacht door collega’s en door Jules. Keer op keer was die formule succesvol gebleken.

Op de derde avond na zijn laatste dienst werd hij telefonisch ontboden in de winkel.
‘Sorry Jules,’ klonk Martijns stem, ‘maar ik kom er niet uit.’ Sinds ongeveer twee jaar was Martijn de assistent-manager. Hij was begonnen als vakkenvuller, groeide door naar de groente-afdeling en had op een dag gezegd dat hij graag hogerop wilde. ‘Dat gaan we regelen,’ was het antwoord van Jules geweest, en zo geschiedde.
Martijn ging verder. ‘Ik zit hier met de papierhandel van de afgelopen week en ik snap er geen barst van. Afboekingen enzo. Je zit hier waarschijnlijk niet op te wachten, dat weet ik en het spijt me enorm, maar zou je me alsjeblieft uit de brand willen helpen? Ik zit met de handen in mijn haar en ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer, ik weet het niet meer.’
Zijn stem klonk zowaar beverig. Het was werkelijk oscarwaardig, vond Jules.
‘Rustig maar, ik kom eraan,’ antwoordde Jules, liep naar boven en trok glimlachend zijn mooiste pak aan.

Toen hij tien minuten later van zijn fiets stapte, trok hij zijn jasje recht en klopte op de achterdeur, van waaruit hij ontelbare malen zijn weg naar huis was gestart. Binnen geen tijd stond Martijn voor de deur. Hij klungelde met het slot van de deur, leek het niet te kunnen openen. Jules meende dat dat kwam door de opwinding over de verrassing die Martijn had georganiseerd. Zijn gedachten gingen terug naar de eerste keren dat hij afscheidsfeesten had georganiseerd – ook hij had het spannend gevonden.
‘Jules,’ zei Martijn gehaast toen het uiteindelijk toch gelukt was de deur te openen. ‘Ik ben blij dat je er bent.’
Weer viel het Jules op dat aan Martijn een groots acteur verloren was gegaan. Zijn gezichtsuitdrukking was waarachtig bedrukt, en in zijn ogen was vermoeidheid zichtbaar.
Ik zie door de bomen het bos niet meer,’ ging hij verder. ‘Met de moed der wanhoop heb ik dus maar even jouw nummer gebeld, en ik ben echt enorm blij dat je bent gekomen. Loop even mee.’
Op Martijn na leek de winkel uitgestorven. Als ik niet beter had geweten, had ik gedacht dat Martijn me niet had staan voorliegen, en dat zijn bewonderenswaardig knap geacteerde emoties niet bewonderenswaardig knap geacteerd zouden blijken, bedacht Jules op weg naar het kantoor. Ook toen ze daar aankwamen, was er geen enkel spoor van een verrassingsfeest te ontdekken. Het donkerbruin van het eikenhouten bureaublad waarop jarenlang de zwart-witfoto van Jules’ vrouw had gestaan, was niet meer zichtbaar door de enorme hoeveelheid A4’tjes die erop verspreid lagen. Van enige systematische of methodische aanpak leek geen sprake te zijn, een constatering waarvan Jules schrok. Dit is niet zoals ik hem heb opgeleid, schoot het door hem heen. Maar, zo stelde hij zichzelf meteen daarna gerust, dit hoorde allemaal bij de act. Zometeen sprong Renate, het afdelingshoofd van de kassa’s met een handvol confetti uit de kast en binnen geen tijd zou de champagne poppen. Op naar het vrije leven!
‘Koffie?’ vroeg Martijn. Jules stemde in, en Martijn verliet het kantoor om in de kantine de koffie te halen. Koffie, de motor van vrijwel elke supermarktmedewerker, bedacht Jules en herinneringen kwamen naar boven. Hoe hij gedurende vijf jaar elk jaar vlak voor de drukke kerstperiode een koffieproeverij had georganiseerd voor zijn team, en hoe ze daar de vreemdste koffiesoorten naar binnen hadden geslurpt. De bijzonderste hadden ze zonder twijfel in het tweede jaar gehad. Kopi Luwak was die naam van de koffie hem altijd bij zou blijven: koffie gemaakt van bonen die door een bepaald soort kat zijn opgegeten, waarna die bonen uit de kattenkak werden gehaald om ze vervolgens met de hand te verwerken tot een unieke koffiesoort. Uniek, dat was het zeker geweest.
‘Zo,’ zei Martijn, en kwam met twee bakjes automatenkoffie (‘koffiebouillon’, zoals Jan van de broodafdeling het noemde) het kantoor binnen. ‘Ik zou het fijn vinden als je me toch nog eens zou willen uitleggen hoe het ook alweer zit met de dagelijkse afboekingen van de versafdeling. Zoals ik al zei: ik snap er geen barst van. Sorry voor de rotzooi trouwens.’

Dertig minuten later moest Jules op weg naar huis stoppen voor het rode stoplicht.
‘Het is niet erg,’ zei hij hardop. Die uitspraak herhaalde hij een aantal keer, als een mantra, om zichzelf van de waarheid ervan te overtuigen. Hij troostte zich met de gedachte dat hij de tijd had genomen om Martijn rustig uit te leggen hoe het werkte met afboekingen – hoe producten die uit het winkelschap gehaald werden (over de datum, mindere kwaliteit, productiefouten) in de boeken verwerkt moesten worden.
‘Hij snapt het nu ten minste wel,’ zei hij tegen de wind, ‘ik kan hem met een geruster hart achterlaten. Dat is ook wat waard, dat is ook wat waard, dat is ook wat waard. Dat is ook wat waard.’
Het stoplicht sprong op groen. Toen hij weer op de fiets wilde stappen om vaart te maken richting zijn altijd lege huis, merkte hij met een schok dat een vrouw naast hem, die hij niet had zien of horen aankomen, hem vreemd aankeek. Hij kuchte en hervatte zijn weg naar huis.

Terug