Koetjes en kalfjes

Toen hij zijn ogen opende, viel het hem meteen weer op. Zwart en wit dreven naar elkaar toe, werden grijsvarianten. Dat zoiets kon gebeuren met foto’s, was Jules onbekend. Toch had hij het zien gebeuren, elk jaar vervaagde zijn vrouw een stukje meer. Waarschijnlijk kwam het doordat haar foto in zijn kantoor jarenlang door de zon gestreeld was. Nu hij de foto op zijn nachtkastje had gezet, hoopte hij de achteruitgang te kunnen tegenhouden. Scherper zouden haar vormen zich nooit meer aftekenen, maar wellicht kon hij het verval stoppen – zoals het leven van sommige zieken niet meer gered kan worden, alleen verlengd. In ieder geval had hij zijn gordijnen niet meer durven openen sinds hij haar op zijn nachtkastje had geplaatst. De zon, die hield hij buiten de slaapkamer.

Alhoewel het buiten al licht was, was Jules na de nacht waarin hij er plots een familielid bij had gekregen toch nog in bed gekropen. Na twee uur van uiterst onrustige slaap gaf hij de strijd tegen zichzelf op. Hij sloeg de dekens van zich af en trok zijn ochtendjas aan. Vergeten was hij in die twee uur niets, maar verdrongen had hij wel het een en ander. Daarom schrok hij toch, toen hij bij het afdalen van de trap zijn halfbroer aan de keukentafel aantrof.
‘Goedemorgen,’ zei deze zacht, zonder Jules aan te kijken. Eigenlijk was het al middag, maar daarvan zei Jules niets. Er waren belangwekkender zaken, zo vond hij.
‘Ja, jij ook.’ Jules krabde aan zijn arm, waar hij geen jeuk had. Daarna legde hij een nieuwe knoop in het koord van zijn ochtendjas.
‘Het spijt me enorm,’ zei de man, en richtte nu wel zijn blik op die van Jules. ‘Dit had nooit mogen gebeuren. We moeten praten, dat is zo. Maar ik had me met wat minder gevoel voor dramatiek aan je voeten moeten werpen.’ Zijn blik ging naar de flessen wijn in de hoek.
Jules volgde die blik en knikte, begripvol als altijd. Begrip was niet altijd de beste reactie op de ellende van het leven, maar voor Jules wel de meest voor de hand liggende.
De man stond op, liep met uitgestrekte hand op Jules af.
‘Anton,’ zei hij.
‘Jules,’ zei Jules.

Als het aankwam op het in stand houden van een gesprek over zo goed als niets, was Jules een autodidact. Van zichzelf sprak hij niet graag over koetjes en kalfjes, hij spaarde zijn woorden liever voor het weinige dat er écht toe deed, maar al redelijk vroeg in zijn leven had hij ingezien dat menselijke relaties veelal drijven op smalltalk. Daarom leerde hij zichzelf aan interesse te veinzen in de weersverwachting voor de komende drie dagen, de televisieprogramma’s die hij niet had bekeken en bovenal in de levens van de mensen om hem heen – en die vaardigheid kwam hem die ochtend bijzonder goed van pas. Aanvankelijk dan, want het duurde niet lang of Anton en Jules sloopten de muur van onwetendheid die als een stevig bouwwerk tussen hen in stond. Jules hoefde geen interesse meer te veinzen, maar wilde werkelijk weten wie er tegenover hem zat.

Anton had zijn moeder nooit gekend, zo bleek. Een paar dagen na zijn betrekkelijk lastige terwereldkoming (stuitligging en een debuterende dokter - had hij van horen zeggen) stond zijn moeder hem af en zo kwam hij in een pleeggezin terecht, waar hij zijn levensdagen sleet in het bijzijn van een vader die naarmate de dagen vervlogen almaar meer dronk en een moeder die ook geen afkeer bleek te hebben van al wat bedwelming teweegbrengt. Zijn jeugd had hem getekend maar niet geschaad, zo vertelde hij met droge ogen. Jules dacht aan de afgelopen uren, de zure dranklucht die Anton had verspreid. Voor de tweede keer die ochtend keek Jules naar de lege flessen wijn in de hoek. Hij bedacht hoe hij later die week waarschijnlijk tien minuten zou moeten klingelklangelen bij de glasbak om alle resten van de nacht en de komende dagen te verwijderen.
‘Maar goed,’ verzuchtte Anton. ‘Ik maak me er allemaal geen zorgen over. Dat heeft sowieso weinig zin. Als je je zorgen maakt en er is niks aan de hand, dan heb je je voor niks zorgen gemaakt. Als je je zorgen maakt en er is wel iets aan de hand, dan moet je je weer zorgen maken. In dat geval heb je je twee keer zorgen gemaakt, waarvan de eerste keer overbodig was. Nou, moraal van het verhaal: ik maak me geen zorgen.’
‘Aha, zo,’ zei Jules, en vertelde hoe hij zich in zijn leven wél vaak zorgen had gemaakt, minstens net zo vaak over anderen als over zichzelf. Het verbaasde hem hoeveel hij vertelde, en al even zo verrast was hij om de reacties van Anton, die naarmate de minuten verstreken en de ellende van het leven zich opstapelde, angstaanjagende hoogten aannam, almaar begripvoller en vriendelijk bleef knikken. Ga door, riepen zijn ogen. Ga door, ga door, ga door!
Midden in zijn verhaal hield Jules halt.
‘Zin in een glas wijn?’ vroeg hij, en wachtte het antwoord niet af. Dat zijn hoofd nog nabonkte van de vorige glazen, deerde niet. Ernstige jeuk kon je ook verdrijven door pijnprikkels toe te dienen, zo leerde Jules uit ervaring. Muggen waren tot zijn grote frustratie altijd verzot geweest op zijn bloed, en niet op dat van zijn vrouw. Maar goed. Eén glas evolueerde zonder omkijken in twee, twee glazen werden weer een fles, en zo stuwden Anton en Jules het alcoholpromillage in hun bloed almaar verder omhoog, totdat ze allebei, zittend aan de keukentafel, na een huilbui over alles wat ze aan vriendschap van elkaar hadden gemist, in een ronkende slaap vielen. Buiten werd het alweer donker.

Terug