Mijn vrouw is dood

‘Mijn vrouw is dood,’ zei Jules toen Anton op het bed was komen zitten. Vrijwel meteen baalde hij ervan dat hij het zei: het was de bedoeling Anton duidelijk te maken dat het ‘avontuur’ waar ze in waren beland, moest stoppen. Jules wilde naar huis, terug naar zijn eigen bed, waar hij rustig naar het zich opstapelende stof op zijn nachtkastje kon kijken. Eens had hij zich afgevraagd wat dat eigenlijk was, stof. Toen hij het opzocht, werd hij warm van binnen: stof, dat was een verzameling vervlogen stukjes mens. Huidschilfers, haren, alles wat door het lichaam werd losgelaten zoals bomen hun bladeren laten vervliegen. Heel misschien was zij dan toch nog ergens, in een niet te stofzuigen hoekje achter de kledingkast of achterin de sokkenla. Het was een gedachte die hem vrolijk stemde en waaraan hij vaak dacht op momenten dat het duister zich van hem meester leek te gaan maken.
Het was Jules niet gelukt om het avontuur een halt toe te roepen. Op de een of andere manier, toen Anton uit de douche gewandeld op zijn bed was gaan zitten, kon Jules niet anders dan zeggen wat hij had gezegd. Mijn vrouw is dood. Anton knikte langzaam, liet het vertelde zichtbaar op zich inwerken.
‘Hoe lang al?’ vroeg hij ten slotte. Jules vond dat een vreemde vraag. Alsof het ertoe deed hoe lang zij niet meer het hele jaar door grote hoeveelheden vlees in de aanbieding kocht zodat ze met hun voorraad de winter door konden, hoe dik de laag stof op haar make-updoos was.
‘Zes jaar,’ antwoordde hij desalniettemin, en barstte in een huilen uit dat hem deed denken aan de sluis waar hij uren met zijn vrouw naar had zitten kijken toen juist duidelijk geworden was dat een ongewilde ruwe scheiding door de natuur op te korte termijn onvermijdelijk was.

Het duurde vijfentwintig minuten voordat Jules aanspreekbaar was. Al die tijd zat Anton op het bed, met zijn gerimpelde hand op de schouder van zijn halfbroer.
‘Weet je wat het vervelende is,’ waren de woorden waarmee Jules het gehuil een halt toeriep. ‘Zelden lukt het om momenten op waarde te schatten. Gewone, kleine momentjes. Hoe ze thee inschonk bijvoorbeeld, of hoe ze haar haren afdroogde na een bad. De kleine dingen. Ze gebeurden gewoon, ik liet ze voorbijschieten. Die momenten krijgen pas waarde als ze een herinnering worden aan iemand die er niet meer is.’
‘Zeg het maar: aan haar.’
‘Aan haar, ja.’
‘Hoe is ze …’ vroeg Anton, maar kon zijn vraag niet afmaken. Jules schudde met zijn hoofd. Afkeuring sloop voor het eerst zijn leven in. Nee, zei zijn gelaatsuitdrukking, nog niet. Desalniettemin volhardde Anton. Nogmaals zette hij de zin in, die hij deze keer afmaakte.
‘Hoe is ze gestorven?’
Het moet er toch maar eens van komen, dacht Jules, en haalde diep adem. Voordat hij echter een zin uit kon spreken, werd er op de deur geklopt.
‘Housekeeping!’ klonk het gedempt door de kamer.
‘We ruimen alles zelf op!’ riep Anton. Toen de deur toch openzwiepte en een donkere dame verscheen die een vaatdoekje uitwrong boven een vierkante emmer, stond Anton op. ‘No!’ riep hij en maaide wild met zijn armen, alsof hij haar werkelijk naar de keel zou vliegen als ze een stap over de drempel zou wagen, ‘away with you!’
De vrouw keek Anton aan, haar rechterwenkbrauw in een aanzienlijk hoger boogje dan de linker. Ze maakte aanstalten iets te gaan zeggen, maar bedacht zich en sloot de deur met een hardere klap dan noodzakelijk.
‘Ik heb het op het werk niet verteld,’ zei Jules toen Anton weer naast hem plaats had genomen. ‘Ik durfde niet. De dag voordat ik met pensioen ging, wensten ze me godverdomme een fijne tijd toe, samen met mijn vrouw. “Ga er lekker van genieten,” zeiden ze. Godverdomme. Het is … ik kan gewoonweg niet alleen zijn, zonder haar.’
Anton knikte, streek over zijn elleboog. Het gezwaai met zijn armen zou wellicht niet zonder fysieke consequenties blijven.
‘Toen we elkaar voor de eerste keer zagen, in een trein was dat, keek ik haar verwonderd aan. Het was alsof ik in een dierentuin was waarin ik mezelf herkende in haar helderblauwe ogen. Zij zette de kooi open, en ik wandelde samen met haar de wijde wereld in. Jezus, wat een pathetisch gezwets. Maar Anton, zo was het wel. De supermarkt leidde me af, zorgde ervoor dat mijn gedachten overdag niet bij haar bleven hangen. Sinds ik het pensioen, dat met stalen knokkels op mijn deur bonsde, binnen heb gelaten … nou ja, je weet het wel. Zo, ik ben uitgesproken.’
Jules stond op, wandelde naar de badkamer, waar alle stoom van Antons douchesessie inmiddels door de afzuiging was verzwolgen. Hij waste zijn gezicht met koud water en voelde hoe een kalme rust zich over hem heen drapeerde. Opluchting. Berusting, misschien zelfs wel. Jules hoorde hoe Anton vanaf het bed kuchte, zijn keel schraapte.
‘Ik ben jou geloof ik ook nog enige informatie verschuldigd,’ zei hij zacht, maar net voldoende verstaanbaar.

Terug