Stille smerige pap

Zittend op de toiletpot at Jules midden in de nacht een paar crackers. Door de dunne hotelkamerwand die de badkamer van het slaapgedeelte scheidde, hoorde hij Anton snurken. Drinkers ronken blijkbaar harder, las Jules toevallig een week eerder in een tijdschrift, doordat alcohol de spieren verslapt die de keelholte openhouden – die theorie werd die nacht ontegenzeglijk empirisch bewezen.
‘Eten’ was misschien een groot woord voor wat Jules deed: om Anton niet wakker te maken met het gekraak dat het verorberen van de crackers zou veroorzaken, zoog hij op de crackers tot ze verwerden tot een smerige pap die hij geluidloos door kon slikken.
Tot nog toe viel het Jules zwaar, het avontuur dat hij met Anton aan was gegaan. ’s Ochtends hadden ze hun koffers gepakt en waren ze op de trein gestapt zonder naar de bestemming te kijken.
‘Bij de vierde halte stappen we uit,’ besliste Anton toen ze een plekje hadden gevonden, en een uur later stapten ze uit in een middelgrote stad in het noorden van het land. Daar aangekomen liepen ze het eerste beste hotel binnen, dat nog slechts over één kamer bleek te beschikken – met een tweepersoonsbed. De lobby van het hotel beloofde weinig goeds: het okerachtige behang bladderde van de muren, in de hoek stond een grote fauteuil waarvan de vering zich door het pluche heen had gewerkt en de baliemedewerkster die uit het toilet aan kwam snellen nadat Anton vijf keer op het belletje had gemept, droeg slippers met enkelsokken die ooit wit moesten zijn geweest.
‘Dat is geen geld,’ hoorde Jules Anton zeggen. ‘Akkoord. Maatje,’ vervolgde hij en sloeg Jules op zijn schouder, ‘wij slapen vanavond in één bed. Ik trakteer.’

Voordat dat zo ver was, kuierden ze door de straten van de stad totdat hun oudemannenvoeten niet meer konden. Weinig anders deden ze dan kijken. Vanaf terrasjes leverde Anton onbeschaamd commentaar op alles en iedereen, en Jules knikte en lachte, dat laatste bij vlagen oprecht. Ze dronken zich draaiend, zoals dat hoorde. Arm in arm strompelden ze na een diner van friet met kroketten naar het hotel, waar hun kamer inderdaad geen enkele vorm van luxe omvatte. Sterker nog: de wastafel hing met nog maar één centimeter halfvergane kit aan de muur vast, op het tapijt zat een dieprode vlek met een diameter van dertig centimeter en het rook er naar onzindelijkheid. Het maakte allemaal weinig uit. Anton plofte op het bed en sliep in. Jules liet zich op het bed zakken en sloot zijn ogen, maar was de sleutel tot de droomwereld nog altijd kwijt. Een ander in zijn doorgaans lege huis, dat tot daaraan toe, maar een ander in zijn bed - dat was andere koek.

Na de laatste cracker dacht Jules aan zijn vrouw, hoe ze hem hoofdschuddend zou aankijken als ze hem kon zien zitten – midden in de nacht in een smerig hotel, op de toiletpot met zijn hoofd in zijn handen. Hij glimlachte. Alhoewel daar voldoende aanleiding toe was geweest, had hij Anton niets verteld over zijn vrouw – waarschijnlijk ook omdat zijn halfbroer niet naar een partner had gevraagd. Het is toch eigenlijk vreemd, dacht Jules, hoe een grote afwezigheid in de vorm van de dood eigenlijk juist aanweziger maakt. Voordat ze … voordat … toen kon het me weinig schelen wat ze vond. En nu, nu kan het me ineens iets schelen wat ze van zaken gevonden zou hebben. Jules miste zijn vrouw, dat was de conclusie van de overdenking die hij niet aan zichzelf durfde toe te geven. Hoe mis je immers het onmisbare? Zijn gedachten gingen terug naar het magische moment in de trein, toen hij de vrouw die hij zou trouwen voor de eerste keer zag. Hoe hij het litteken op zijn knie had laten zien, onderweg naar Maastricht. Hoe ze had geglimlacht, had gevraagd of ze mee mocht. Minder dan een vraag was dat een mededeling, en daarom kon Jules geen nee zeggen. Hoe het minder dan twaalf uur had geduurd voordat Jules op zijn knieën was gezakt, midden op het Vrijthof. Ze lachte gegeneerd, sloeg hem zachtjes met haar handtas tegen het hoofd. ‘Ik meen het,’ zei hij daarop tot zijn eigen verbazing en schrik, en haar gezicht betrok. ‘Ik geloof dat ik ja wil zeggen,’ mompelde ze en haalde een hand door haar haar. ‘Verdorie Jules, ik wil het echt ben ik bang.’ Daar waren de tranen.

Hoe het mogelijk was wist hij niet, maar het was gebeurd. Hij werd wakker door doffe bonken, opende zijn ogen en zag de badkamerdeur.
‘Jules!’ riep Anton meermaals aan de andere kant daarvan, ‘Jules, in godsnaam!’
Versuft stond hij op, ontsloot de deur. Hij krabde zijn achterhoofd toen hij Anton zag verschijnen.
‘Goedemorgen,’ zei Jules, en meteen daarna: ‘Is het eigenlijk eindelijk ochtend?’

Dat was het, en daarom daalden de twee na een opfrisbeurt de trappen van het hotel af naar de ontbijtzaal. Daar aten ze elk woordloos twee boterhammen met kaas en dronken koffie. Sober, maar voldoende. In iets anders dan boterhammen met kaas en koffie voorzag het ontbijtbuffet trouwens ook niet.
‘Het avontuur vervolgt vanavond zijn weg,’ zei Anton. ‘Tot die tijd kunnen we een beetje rusten. Vanavond ben ik van plan honderd euro uit te geven aan iets waar ik normaal gesproken nooit een cent aan zou uitgeven. Jij mag raden wat dat is.’
‘Ik heb geen flauw idee,’ mompelde Jules, terwijl er wel degelijk enkele zaken door zijn hoofd flitsten. Die hield hij echter wijselijk voor zich.
Zijn halfbroer spoorde gelukkig niet verder aan. ‘Dan zul je het straks wel zien.’ Anton sloeg de laatste slok van zijn koffie achterover en stond plots op. ‘Ik trek me even terug op het toilet,’ zei hij, en verdween uit Jules’ zicht.

Terug