Vijftig voor jou en vijftig voor mij

‘Jules,’ zei Anton toen ze voor de deur stonden. Alhoewel de deur zich aan de voorkant van het smerige pand bevond, leek het eerder op een achterdeur – een houten poort, zo kon Jules ondanks de invallende duisternis zien. ‘Het ware leven speelt zich altijd af buiten de kaders van je eigen bestaan. Als je altijd maar in je eigen stront blijft roeren, kom je nooit boven de pot uit. Zo is het maar net, al zeg ik het zelf.’ Anton grinnikte. Wat er zich achter de deur afspeelde wist hij niet, maar Jules vermoedde het een en ander. Hoe dan ook zouden de activiteiten die zich hier afspeelden, niet door priesters, imams en rabbijnen worden aangemoedigd.

‘Ik ben van plan vandaag honderd euro uit te geven aan iets waar ik normaal gesproken nooit een cent aan zou uitgeven,’ zei Anton bij het ontbijt. Nu zei hij: ‘Vijftig voor jou en vijftig voor mij.’ Anton roffelde ritmisch op de poort, die vrijwel meteen openging.
Jules zag het meteen, maar realiseerde het zich pas enkele seconden later. ‘Parenclub Pleasure 4U’, stond er in enorme krulletters op het bord dat achter de vrouw hing die opende. ‘Ik heb vanmiddag gebeld,’ zei Anton tegen haar. ‘Twee mannen.’

Een parenclub, ammehoela. Jules wist van het bestaan ervan af en keurde het principe ook niet zonder meer af, maar stond desalniettemin als verstijfd in de deuropening. Ooit had hij, op het moment dat de relatie met zijn vrouw een seksuele subversie vertoonde, aan haar voorgesteld er eens langs te gaan. Ze had hem drie seconden aangekeken en hem toen in zijn nog redelijk rimpelloze gezicht uitgelachen. ‘Je hebt gelijk ook,’ zei hij, en had er daarna nooit meer aan gedacht. Een parenclub … een bedrijf van een louche papzak met een sigaar in zijn mondhoek, een broekzak als pinautomaat en die werkgelegenheid verschaft aan illegalen die barre tochten over de oceanen en door de woestijn hebben doorstaan om alhier aangekoekt zaad van de muren te schrapen. Het decor van de zoveelste ongeloofwaardige moord in Baantjer, Flikken Maastricht of Moordvrouw. De plek waar jongensfantasieën de wereld van de werkelijkheid betreden – waar vrouwen eens geen hoofdpijn hebben, waar vermoeidheid niet bestaat en waar grenzen alleen maar worden aangegeven zodat er met een stormram tussen de benen doorheen gewalst kan worden, zo stelde hij het zich voor. Een hemel voor wie eens iets anders wil betreden dan de gebaande paden, die zich meestal tot in angstaanjagende eeuwigheid voor je uitstrekken. Maar of Jules dat was, iemand die iets anders wilde betreden dan de gebaande paden, daar was hij nog niet uit.

Een half uur na binnenkomst zat Jules aan de bar en dronk een Fanta. Hij dacht terug aan de tijd dat hij dagelijks in de supermarkt rondwandelde. Alhoewel het slechts een paar weken betrof, voelde het alsof hij al jaren gepensioneerd was. Anders dan hij verwachtte, miste hij zijn werk dan ook niet. Waarschijnlijk kwam dat door Anton, die hem weinig tijd gunde om stil te staan bij de allesoverweldigende rust die hem ten deel had kunnen vallen.
Anton was achter een van de vele deuren verdwenen, waarover een verveelde studente van twintig jaar ons tijdens een flitsrondleiding vertelde dat zich daarachter een donkere ruimte bevond. ‘Alleen binnentreden als je er geen bezwaren tegen hebt overal aangeraakt te worden,’ zei ze gespeeld mysterieus. ‘Overal,’ voor het effect herhaalde ze het nog eens, met een vette knipoog. Het was duidelijk merkbaar dat ze het riedeltje dat ze ons voorschotelde reeds duizend keer eerder af had gedraaid. ‘Maar laten we beginnen met een drankje aan de bar. De eerste is van het huis.’
Sympathiek, vond Jules, dat was nog eens klantenbinding, maar voor Anton hoefde dat niet. ‘Neem jij mijn drankje maar,’ zei hij opgewekt, en zwiepte de deur open, waarachter inderdaad de duisternis bleek te huizen.

Het viel Jules mee. De zaadvlekken zaten niet tot aan het plafond en de prullenbakken leken niet over te stromen met gevuld rubber. De club had een hoog Xenos-gehalte: op een van de bordeauxrood geverfde muren, hing een groot canvas met in het midden een boeddha op een lotusbloem en boven de bar hing een plankje met prullaria waarvan Jules er één herkende: een kleine plastic flamingo die ook op zijn kantoor in de supermarkt had gestaan. Wanneer de zon scheen, bewoog het hoofdje heen en weer door de kleine zonnecellen die onderaan het beestje waren verwerkt. Veel zonlicht zou de flamingo hier niet vangen: door de gedimde lampen was het schemerig.
‘Nog een drankje?’ vroeg de barvrouw. Jules knikte.
‘Je hoeft niet zenuwachtig te zijn,’ zei ze toen ze het drankje voor hem neerzette. Haar uitspraak verbaasde Jules: hij had de indruk dat hij er relatief ontspannen bij zat.
‘Ik kan je een tip geven: wees gewoon lekker jezelf,’ ging ze verder. ‘Echt, dat werkt. Niet bang zijn, maar go gewoon lekker with the flow. Het komt goed schat.’
Jules knikte de vrouw toe. ‘Dank,’ zei hij, en om het gesprek op dat punt tot een halt toe te roepen, nam hij zijn glas en begon een wandeling door de verschillende vertrekken van het pand. Naast de darkroom waren er verschillende lounge-ruimtes en sommige kamertjes waar op de deuren een bordje was bevestigd: ‘Bezet’ of ‘Vrij’. Vrijwel de meeste kamertjes waren vrij. Een snelle blik in een van die kamers leerde dat de inrichting minimalistisch was: een bed met een matras met plastic hoes, waarschijnlijk eenvoudig te reinigen, en een weer een canvas aan de muur, deze keer van bloemen in een lenteweide. Een wasbak in de hoek maakte het binnenhuisarchitectonische meesterwerkje af.
Hoe dieper hij het pand in drong, hoe minder kleding de gasten aan hadden. Jules zag mensen in nietsverhullende kledij, waar blubberbuiken en dito ruggen haastig een uitweg uit leken te zoeken. Sommige vrouwen droegen maskertjes die waarschijnlijk bedoeld waren om een bepaald opwindend mysterie op te wekken, maar die Jules alleen geschikt leken om afgrijselijkheid te verbergen, om te verbloemen wat ook in het daglicht lastig te verdragen was.
Aan het einde van de gang waarin hij liep, doemde Anton op. Hij lachte, sloeg een andere man op de schouder. Anton liep met zijn armen gespreid op Jules toe, de andere man vertrok in tegengestelde richting.
‘Jules!’ riep Anton joviaal, ‘zijn de vijftig euro goed besteed of zijn ze goed besteed?’

Terug