Wilt u ook een likje?

De kleine jongen komt naar hem toe. Zijn handjes omklemmen een grote platte lolly. In het midden staat een kers afgebeeld, of in ieder geval iets dat op een kers lijkt.
‘Dag meneer,’ piept de jongen. ‘Wilt u ook een likje?’ Hij houdt de lolly voor Jules’ gezicht. Jules lacht, eerst zachtjes en daarna steeds harder. Hij voelt hoe zijn lichaam zich ongecontroleerd in beweging zet en probeert zich te herpakken. ‘Nee,’ zegt hij als dat is gelukt, ‘nee nee, dankjewel knul.’
Achter de jongen verschijnt een vrouw. Een mooie vrouw, het ontgaat Jules niet langer. Ondanks haar verontschuldigende gezichtsuitdrukking straalt ze een onoverwinnelijkheid uit die zijn binnenste verwarmt.
‘Sorry hoor,’ zegt ze, en schudt zachtjes haar hoofd. ‘Hij is nogal eigenwijs.’ Ze voert de jongen met zachte dwang weg van het bankje in het park waarop Jules zit. ‘Geen probleem,’ zegt Jules en herhaalt dat drie keer, maar hij twijfelt of de vrouw hem hoort.

‘Ja, het is mama,’ had hij tegen zijn zoon gezegd. Met die uitspraak trok hij het slot van de beerput die zijn ziel geworden was en in minder dan geen tijd voelde hij hoe de opluchting het verdriet verjoeg. Was het werkelijk zo eenvoudig, vroeg hij zich af toen hij zijn tranen de vrije loop liet. Het waren andere tranen dan de tranen die hij eerder liet – dit waren tranen van verdriet, waar de andere tranen van wanhoop waren. Tranen van verdriet zijn betere tranen, zei de zoon sussend, en Jules wist dat zijn zoon de wijsheid van zijn moeder bij zich droeg. Jules liet ze gaan, de tranen van verdriet. Toen hij merkte dat hij bijna was uitgehuild, dacht hij aan de zwart-witfoto van zijn vrouw die jarenlang op zijn kantoor in de supermarkt had gestaan en die inmiddels stof vrat op zijn nachtkastje, en hij huilde weer verder. Anton, die met een maniakale precisie plukken onkruid uit de tuin verwijderde, keek door het raam de woonkamer in. Jules zag, ondanks zijn door tranen vertroebelde gezicht, hoe zijn broer zijn duim in de lucht stak. Niet veel later voelde hij een warme, indringend naar aarde ruikende hand op zijn schouder.
Ze spraken, Jules, de zoon en de broer. Ze spraken alsof ze nooit anders hadden gedaan, alsof de blokkades die hun lippen vormden nooit hadden bestaan. Terwijl de geur van potgrond die Antons handen verspreidde zich almaar nadrukkelijker manifesteerde, vertelde Jules, voor het eerst zonder enige terughoudendheid, over hoe hij zijn vrouw aantrof op de bank. Hij dacht dat ze sliep, maar de lege pillendozen op de grond verrieden de waarheid. Jules vertelde en vertelde, keek op de klok en schrok van de minuten die ongemerkt aan hem voorbij waren getrokken. ‘Ik zal eens gaan koken,’ zei hij en stond op, maar handen duwden hem terug. Stemmen zeiden zacht: ‘Vertel verder, Jules.’ Wat kon hij anders dan gehoorzamen? Jules vertelde verder tot de avond viel en al die tijd zwegen de zoon en Anton als het graf. Toen het verhaal was verteld, stonden ze gedrieën op. ‘En nu drank,’ zei Anton, en niets raakte de waarheid meer dan die woorden.

In het bankje waarop hij zit, staat ‘je moeder’ gekerfd. Jules ziet de woorden en laat zich erdoor verbazen. Wat nu, denkt hij, als ik er ‘is een mooie vrouw’ achter kras? En daarna: ‘Je vader is trots op je!’ Dat zou de wereld een stukje mooier maken. Een goede daad op een goede dag. Hij voelt in de zakken van zijn colbert, maar hij heeft geen scherpe voorwerpen bij zich. Dan fantaseer ik het er gewoon achter, besluit hij. Dat werkt ook. Tevreden sluit hij zijn ogen en aanschouwt het resultaat van zijn gedachten. Als hij zijn ogen weer opent, ziet hij het jongetje met de lolly op een van de schommels zitten die het stadspark rijk is. Zijn moeder zwiept hem met elegante bewegingen heen en weer. Jules ziet het aan en glimlacht weer naar de vrouw. Knipoogt ze nu naar Jules? Hij verbiedt zichzelf die gedachte. Naar hem wordt niet meer geknipoogd, die tijd heeft hij gehad. Juist als hij zichzelf daarvan heeft overtuigd, doet ze het nogmaals. Jules knippert, knijpt zachtjes in zijn bovenbeen. Nu weet hij het zeker, hij vergist zich niet: ze knipoogt.

Terug