DE OMSTANDIGHEDEN

‘Je komt er in een omgeving waar meer mensen zijn zoals jij,’ zei de huisarts, maar Wies zat niet te wachten op lotgenoten, anderen bij wie aanvallen van gejaagde benauwdheid ook als golfslagbaden tussen de oren ruisten. Toch ging ze, en op haar eerste dag kreeg ze een ruime kamer met twee bedden toebedeeld. Het bed naast het hare bleef even leeg, op de derde dag lag er een te dikke vrouw met tijgerstrepen op zowel haar boven- als onderarmen. ‘Kankerzooi,’ riep zij om het uur, ’s nachts zowel als overdag, ‘het is hier allemaal een godverdekankerse kankerzooi.’ Soms schopte de vrouw op die momenten tegen de poten van de aan de muur vastgeschroefde tafel. Wies wilde zich dan met een trillip achter haar moeder verschuilen, maar haar moeder was er niet. Er was niemand, behalve de dikke, briesende vrouw met tijgerstrepen en Wies zelf.

In tegenstelling tot veel van haar nieuwe huisgenoten liet Wies de zaken niet graag uit de hand lopen. Op een ochtend maaide een man met een op zijn voorhoofd getatoeëerde vogel zonder duidelijke aanleiding het grootste gedeelte van het gezamenlijke ontbijt van de eettafel. Alleen een potje jam en twee eierdopjes bleven staan. Zes paar ogen staarden hem aan, niemand deed iets – ook de vuurrode jongen met het pasje aan zijn broek leek bevroren.
‘Het is hier een communistisch kolerenest,’ zei de vogelman na een paar seconden van drukkende angst. Hij sprak kalm, maar Wies zag het bloed in zijn nekaderen pulseren. Ze verlangde hevig naar de legpuzzel waar ze de avond ervoor aan was begonnen.
Plots spuugde de man een geelgroene fluim op tafel, vlak voor Wies. De jongen met het pasje aan zijn broek stond op. ‘Ho,’ zei hij, maar deed verder niets.  
De besmettelijkste opstand is die opstand die de kop in wordt gedrukt. ‘Tyfuszooi!’ riepen nu ook anderen, Wies zag hoe een ogenschijnlijk jong meisje met hertenogen het potje jam van tafel pakte en het richting de woon-leefkeuken smeet. Het potje spatte niet uiteen, maar omdat er geen deksel meer opzat spatte de jam tegen de antracietkleurige kastjes en tegen het glas van de oven. De jongen met het pasje aan zijn broek keek als een prooidier om zich heen, maar het leek erop dat ook hij op zichzelf was aangewezen.

Pas na verloop van tijd leerde Wies te onderscheiden wie hier woonde en wie hier werkte. Zij die hier hun brood verdienden liepen ongeüniformeerd door de leefruimtes, waarschijnlijk om de anderen een ‘warm thuisgevoel’ te geven. Maar ook de werknemers oogden soms verloren en verward, wanneer ze rookten in de omheinde binnentuin en zichzelf, afgezonderd van de rest, moed inspraken. Het enige waarin ze uiterlijk van de anderen verschilden was dat zij, zoals de vuurrode jongen, een niet altijd even goed zichtbaar pasje aan hun broekzak hadden bungelen waarmee deuren geopend konden worden die voor Wies en haar huisgenoten gesloten bleven.

Het was middag. In afwachting van de lunch zat Wies op de bank in de woonkamer en keek uit op het tafelvoetbalspel. Het balletje kon na reservering afgehaald worden bij de opperpasjesdrager, maar Wies en haar huisgenoten deden dat nooit. De enigen die enthousiaste kreten slaakten aan beide zijden van de grote tafel waren bezoekers, die zo de angst en het ongemak van zich af probeerden te draaien.      
Het spel stond in een lange gang waarvan zich aan het einde de isoleercel bevond. Hoewel een vrouw met twee moedervlekken op haar linkerwang Wies tijdens de kennismaking had verteld dat de separeercel zo weinig mogelijk werd gebruikt, bleek de ruimte permanent bezet. De afgelopen dagen zat er een bejaarde man die regelmatig had geschreeuwdreigd zichzelf in de fik te steken. Drie dagen geleden was hij daar haast in geslaagd; het verstikkende aroma van verbrand haar hing nog ruim een dag als een gifwolk op de gang.
Het was Wies opgevallen dat de oude man een van de velen was die constant erkenning leek te zoeken voor zijn lijden. Net zoals veel van haar huisgenoten wilde hij zijn pijn steeds gerechtvaardigd zien, en dat kon nu eenmaal het beste in een kale cel met alleen een stalen toilet en onverwoestbaar matras. Hij en de anderen voelden zich niet serieus genomen als ze uit de separeercel mochten. Hun lijden was toch nog zeker nog steeds ondraaglijk! Dan slikten ze een pen in, of ze krasten net zo lang met een geslepen lucifer over hun polsen tot het bloed hen als een welkome vriend tegemoet vloeide. Voor ze het wisten zaten ze dan weer in hun veilige, zelfbevestigende isoleercel.

Wies zocht geen erkenning voor haar lijden. Ze hoefde niet te horen dat ze leed, dat wist ze zelf wel. Alles wat ze wilde was hulp om van haar angst af te komen. Die angst liep niet als een rode draad door haar leven, die angst was haar leven. In duizend gesprekken zochten therapeuten koortsachtig naar de geboorte van die angst, maar tot dusver was dat zonder resultaat gebleven. Wies had, voor zover ze zich kon herinneren, niets meegemaakt waaruit haar chronische verontrusting als een veelkoppig monster tevoorschijn was gekomen. Het leek meerdere van haar therapeuten tot wanhoop te drijven. Eén van hen raadde Wies aan te blijven herhalen dat haar angst een verkeerd begrepen vriend was. Volgens hem was het in diepste wezen een kameraad in de dreigende onvoorspelbaarheid van het bestaan, maar Wies geloofde daar niet in. Ook naar mate ze meer nachten in haar nieuwe kamer verbleef, de vrouw met tijgerstrepen was alweer doorgestroomd en de vuurrode pasjesjongen was eveneens van de ene op de andere dag verdwenen, slaagde Wies er niet in waarheid in de wanhopige woorden van haar behandelaren te vinden. Haar angst was geen vriend die tintelingen van geborgenheid of juist van spanning en avontuur teweegbracht, eerder een vage kennis die te lang bleef hangen op feestjes, die flauwe anekdotes uit de drassige sloot bleef trekken als de gastheer en – vrouw met rooddoorlopen ogen van de slaap de statafels alweer begonnen in te klappen en de half geplette bitterballen achter de bank vandaan visten, ondertussen vurig verlangend naar de stille zachtheid van hun bed.
De angst van Wies ging niet weg, nooit. Dus ging ze maar weer verder aan haar legpuzzel.

‘Bij een gelukt leven hoort ook geluk hebben.’ Het was de enige zin die haar uit het wekelijkse gesprek met de jonge blonde vrouw met blosjes op haar wangen was bijgebleven. In de woorden school de boodschap dat Wies geen geluk had gehad, helaas pindakaas met een vetgedrukt uitroepteken, haar leven was mislukt. Het was vooral beledigend omdat het waar was. Over het algemeen had het leven Wies inderdaad weinig toegelachen, en op momenten dat het al eens meezat, voelde ze zich daar vooral schuldig over. Bovendien herkende ze het geluk meestal pas als het alweer voorbij was, met een lichte weemoed die ze herkende van lang geleden, de eerste ochtend na pakjesavond of op haar verjaardag. Alleen omdat het moest diepte Wies herinneringen op uit haar vroegste vroegte, de blosjesvrouw knikte mee op het ritme van haar woorden. Maar in plaats dat Wies zich daar beter door ging voelen, bouwden de woorden een groeiende muur van gekte om haar heen.
‘Wie ben jij eigenlijk,’ vroeg de blosjesvrouw tijdens een van hun steeds meer op elkaar lijkende gesprekken eens, ‘wie is Wies eigenlijk?’
Wies zweeg, de blosjesvrouw vervolgde: ‘Weet jij het? Ik weet het niet. Ik weet het echt niet.’ Nu haalde Wies haar schouders op, en verzonk in een stilte die wat haar betrof eeuwig mocht duren.

Toen Wies jarig was, regelde het pasjesvolk een grote taart met plastic kaarsjes die op batterijen werkten. Toch blies Wies. De voorgesneden taart werd uitgedeeld, ook de vogelman kreeg een groot stuk. Hij at het tergend langzaam op terwijl hij Wies aankeek alsof ze zijn dochter had verkracht en vermoord. ‘Kom maar bij papa,’ zei hij bij elke hap, tot hij tot de orde geroepen werd. Wies reageerde daar allemaal niet op, wat haar niet aanging had ze altijd al graag laten passeren. Ze was stil en bevoelde tussen de happen door met haar vingertoppen de nerven in het hout van het tafelblad. Toch keerde de vogelman zich uiteindelijk naar haar. ‘Waarom zit jij eigenlijk hier,’ zei hij eerder dan hij het vroeg, ‘er komt nooit een zinnig woord uit je strot.’ De vogelman lachte maniakaal, pakte het resterende stuk taart van zijn bord en gooide dat naar Wies. Toen hij zag hoe de taart, na haar schouder geschampt te hebben, op haar schoot viel, schaterlachte hij, schoof plots zijn stoel naar achteren en beukte met zijn vuist een gat in de dichtstbijzijnde muur.

Het idee dat ze ooit weer op een bank zou kunnen zitten die de hare was en zonder toestemming van anderen de afstandsbediening kon pakken, kwam Wies met de week belachelijker voor. Zij en de rauwheid van het dagelijks bestaan: het waren twee zaken die schril tegen elkaar afstaken. Het was haring met slagroom, een minirokje onder een winterjas. Hoe langer ze hier zat, hoe meer ze ervan overtuigd raakte nooit meer weg te gaan. Steeds vaker vertrokken mensen die ze ook had zien aankomen, in haar ogen heelden littekens van duizend keer vaarwel. Zelfs de vogelman was vertrokken. Via een pasjesvrouw vernam ze dat hij op zijn eerste onbegeleide dag in een Turkse supermarkt nogal opzichtig een potje paprikapoeder in zijn jaszak had laten glijden en was aangehouden. Wies hoorde het verhaal geluidloos aan en zag voor zich hoe hij, bij wijze van verzet, tijdens zijn arrestatie een rek met potten appelmoes en tafelzuur de vernieling in hielp.

Buiten werd het al langzaam donker en bij hoge uitzondering bevond de jonge blonde blosjesvrouw zich buiten de ivoren toren van haar spreekkamer. ‘Wies,’ zei ze met een zachtheid alsof de volwassenheid nog jaren van Wies verwijderd was. Toen de vrouw een hand op haar schouders legde, keek Wies op van de legpuzzel waaraan ze voor de derde keer begonnen was. Een grote ring drukte ongenadig tussen Wies’ sleutelbeenderen. ‘Je hoeft niet te schrikken, maar ik wil even met je praten,’ zei de vrouw, ‘dus kom maar even mee naar mijn kamertje.’ Daar aangekomen liet Wies zich in de nepfluwelen fauteuil zakken, en verbaasde zich erover dat zij zelf het woord nam voordat de blosjesvrouw dat kon doen.            
‘Ik weet eigenlijk ook niet wie ik ben,’ begon Wies, ‘en waarom ik hier zit. Soms denk ik: het is allemaal aanstellerij, de enige reden waarom ik zit opgesloten is omdat ik mezelf heb wijsgemaakt dat het niet goed met me gaat. Maar misschien is dat allemaal toneel – die mogelijkheid mag je niet uitsluiten, vind ik – misschien heb ik mezelf de geestelijke vernieling in geacteerd, en nu weet ik niet meer hoe ik met mijn spel moet stoppen.’     
De blosjesvrouw sloeg haar ene been over het andere. Ze kuchte even, leek haar woorden voor te proeven. Weer liet Wies het zo ver niet komen. Waar haar woorden vandaan kwamen, wist ze zelf ook niet.      
‘Ik geef antwoord op mijn eigen vragen, merk ik. Ik weet wél wie ik ben en ik weet wél waarom ik hier zit. Ik ben een actrice en ik zit hier omdat ik goed ben in wat ik doe. Te goed, misschien.’  
De blosjesvrouw herschikte zich, ze bladerde door de multomap op haar schoot. Ze nam een hap adem, Wies ging door: ‘Ik haat mezelf erom, maar ik voel ook medelijden. Alsof ik een meisje ben dat aandacht nodig heeft en dat langzaamaan is verdronken in alle bezorgde blikken, in al het medelijden ook. Ja, zo voelt het. Is dat gek? Ik vind het gek.’
Plots had ze zin om te tafelvoetballen, ze zou straks een reservering maken.         
‘Wies,’ zei de blosjesvrouw nu gehaast, ze greep het moment aan als een dorstige in de woestijn. ‘Wies,’ herhaalde ze, nu rustiger, ‘gek is helemaal niets of niemand. Er zijn slechts omstandigheden.’      
Een korte stilte viel, waarin ze elkaar kort aankeken. Daarna keek de blosjesvrouw weg, naar het schilderij dat achter Wies hing. Wies probeerde er zelf ook naar te kijken, om het goed te zien zou ze moeten opstaan en zich omdraaien. Nu zag ze alleen maar een stuk van de dikke, donkere lijst.     
‘Ik wilde vanavond graag iets met je bespreken, maar ik merk dat je wat overstuur bent. Dat geeft niet. Morgen is er weer een dag, en overmorgen ook. Ga nu maar lekker terug naar de woonkamer.’
Nee, wilde Wies zeggen, dat gaat niet. Je kunt me niet naar je hokje lokken, me mijn hart uit laten storten en dan niet zeggen waarom je me wilde spreken. Dat doe je een mens niet aan, en zeker mij niet. Dan slaap ik niet, nooit meer. Zeg wat je te zeggen hebt.   
Maar Wies stond op, schraapte haar droge keel en zei: ‘Goed Hannah. Morgen weer een dag.’ Toen ze zich omdraaide, kon ze het schilderij boven de deur goed zien. Een paar seconden staarde ze naar een zwart schip in zwaar weer, op de rand van kapseizen.  
‘Fijne avond,’ zei Wies ten slotte, en ze ging in de woonkamer zitten, waar ze weer verder ging met haar legpuzzel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s