DE PADEN OP, DE LANEN IN

In de schuur vond ik een oude vishengel, die ik stripte totdat alleen een bamboestengel overbleef. Vanachter de gestalde fietsen hield ik mijn ouders binnen in de gaten, en toen ik er zeker van was dat ze me niet zouden zien, glipte ik naar binnen. Ik verstopte de stok op mijn kamer, en van het wasrek op zolder stal ik daarna een theedoek. Terug op mijn kamer nam ik Het Grote Kabouterboek van mijn bureautje en zocht naar het stukje waar de kabouters op verkenningstocht naar de andere kant van het bos gingen. Al snel had ik de juiste bladzijde voor me, en alhoewel ik alleen naar de bijbehorende tekening gezocht had, schoten mijn ogen vliegensvlug over de letters.        
Pas toen ik twintig minuten later het hoofdstukje voor de zoveelste keer  uit had hervatte ik de arbeid. Onhandig maar niet zonder resultaat knoopte ik de theedoek aan de bamboestok zodat mijn knapzak gelijkenissen vertoonde met die van Kabouter Klaas, de heldhaftige kabouter die op ontdekkingstocht ging. Ik wiste druppeltjes inspanningszweet van mijn voorhoofd.     
Wie op reis ging, moest iets te beschermen hebben. Daarom vulde ik de knapzak met mijn drakenknuffel, een foto van mijn overleden opa en twee repen ontbijtkoek die ik voor noodgevallen in mijn onderste bureaulade bewaarde. Dat de  houdbaarheidsdatum ervan reeds in het zwart-witte verleden lag, deerde niet. Binnenkort had ik grotere problemen te overwinnen dan taaie ontbijtkoek. Voor de spiegel op mijn kamer oefende ik ten slotte verschillende poses uit. De knapzak recht op de grond, over mijn schouder: ik kon niet ontkennen dat mijn eigen stoerheid me overrompelde.

‘Ik moet jullie iets vertellen,’ sprak ik tijdens het avondeten tot mijn ouders. Mijn moeder legde twee aardappelkoekjes op mijn bord en keek me vragend aan. Zelfverzekerd maar met lichte weemoed deelde ik mijn plannen mee. Ik ging op avontuur, zo vertelde ik. De paden op en de lanen in om, net als de kabouters, vlaggen te planten op onontdekt grondgebied. Zoveel was zeker.         
‘Jullie moeten één ding beloven,’ zei ik in navolging van Kabouter Klaas. Klaas had in Het Grote Kabouterboek zijn geliefde Klara en beste vriend Koos laten zweren dat ze, als hij binnen vijf dagen niet terug was, de kabouterpolitie moesten waarschuwen. Dat bleek niet nodig, want al na een dag ontdekte Klaas een mooi gebied aan de rand van het bos, waar het wemelde van de rood-witte paddenstoelen. Weer een dag later keerde hij terug in het kabouterdorp, waar hij aanklopte bij zijn Klara. Opgelucht opende zij de deur, viel hem om de hals en trakteerde hem op een vers kopje kabouterthee, getrokken van verse kabouterbloemen en kabouterkruiden.         
Hoe lang ik weg zou zijn, wist ik niet. Daarom liet ik mijn ouders iets anders beloven.
‘Ja hoor jongen,’ zei mijn moeder, ‘dat is goed. Wij blijven zwaaien, ook als we je niet meer kunnen zien en onze armen pijn beginnen te doen.’ Ze bracht haar wijs- en middelvinger naar haar mond en deed alsof ze erdoor spuugde. Mijn vader keek haar aan en fronste zijn wenkbrauwen. Toen zij hem strak bleef aankijken en hij merkte dat er geen ontwijken mogelijk was, deed hij haar na.         
Gulzig nam ik een hap van een aardappelkoekje. Ik was gerustgesteld.

Een kwartier eerder dan mijn vastgestelde bedtijd lag ik die avond al in bed. Mijn moeder had me ingestopt en een kus gegeven op mijn wang – de tijd van zoenen op de mond was sinds vorig jaar definitief voorbij. Na de wangkus had ze tot mijn verbazing de kamer verlaten precies zoals ze dat altijd deed, alsof morgen niet de belangrijkste dag uit ons leven aan zou breken. Ik liet haar maar begaan, veronderstelde dat ze het misschien lastig had met mijn besluit om op reis te gaan. Het was ook niet niks, beredeneerde ik en ik sloot mijn ogen. Vrijwel meteen overviel me een heerlijke spanning, een verlangen dat ik kende van lange autoritten over de snelweg. Soms wenste ik dan getuige te zijn van een ongeluk, niet omdat ik anderen leed toewenste, maar om mezelf in een filmachtige roes te brengen, een wereld die zo ingrijpend verschilde met die van rekenen en werkwoordspelling op school, van opkomende verliefdheid op een onverschillig klasgenootje met twee staartjes aan de zijkanten van haar hoofd, met de wereld van elke vrijdag aardappelkoekjes. Ik wilde dan belanden in een gedachtestroom waar je net zolang in moest zitten totdat de tijd het genoeg geweest vond. Precies zo voelde ik me toen ik langzaam in slaap dommelde.

De volgende dag was het moment genadeloos daar. Na het ontbijt liep ik naar boven, controleerde de inhoud van de knapzak en sloeg hem over mijn schouders. Bij de voordeur omhelsde ik mijn vader en moeder.                    
‘Zullen jullie zwaaien?’       
 Mijn moeder knikte, mijn vader keek op zijn horloge en geeuwde.  
‘En ook blijven zwaaien,’ verifieerde ik, ‘het is heel belangrijk dat jullie blijven zwaaien.’
‘Beloofd is beloofd,’ zei mijn moeder met een porseleinen glimlach, en deze keer spuugde ze wel echt. Een klodder verdween tussen de grote varens in de voortuin.
De aanblik vertederde me. Ik voelde de tranen drukken, maar meteen sprak ik mezelf vermanend toe. Niet huilen, niet nu. Ik moet ervandoor, de wijde wereld wacht.       
‘Goed,’ sprak ik gedecideerd, en stapte met de knapzak over mijn schouder van mijn ouders vandaan, ‘daar ga ik dan.’        
De eerste stappen waren die van Superman, van Columbus, maar na elke stap groeide de onzekerheid. Niet omkijken, dacht ik almaar, dan snijdt de pijn alleen maar dieper. Ik richtte mijn blik naar voren, richting de ongewisse maar ongetwijfeld bloedstollende toekomst. Ik was nu halverwege de straat en de aandrang om me om te draaien en te controleren of mijn ouders nog stonden te zwaaien was haast onverdraaglijk. Toch zette ik door. Afscheid nemen was lastig, maar niet onmogelijk. Klaas was me voorgegaan, en als hij het kon, dan moest het mij ook lukken.           

Na een meter of vijftig was ik net de hoek van de straat om toen het me niet meer lukte om mijn tranen tegen te houden. Ter hoogte van mijn borst voelde ik hoe een knagende onzekerheid over mijn reis de overhand nam, en ik kreeg mijn ademhaling niet meer onder controle. Wat stond mij nu anders nog te doen dan terug te gaan? Ik rende, inmiddels luid huilend, terug de hoek om. Meteen zag ik mijn ouders staan, ze hadden zich gelukkig aan hun belofte gehouden. Het zwaaien stopte echter abrupt toen mijn moeder me zag. Ze spreidde haar armen en ik rende op haar af, terwijl mijn vader zich omkeerde en naar binnen ging.    
‘Welkom thuis,’ fluisterde mijn moeder terwijl ze me omhelsde en met haar fluwelen handen mijn rug streelde. ‘We hebben je gemist, papa en ik. Kom gezellig binnen, dan zal ik een lekker kopje thee voor je zetten.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s