KOPZORGEN

Een gemoedelijk gebrom vulde de kamer en ik berekende met gesloten ogen, het hoofd iets naar achteren geheld, wat ik van het geld kon doen dat ik inmiddels had bespaard. Alhoewel mijn rekenkundig vermogen me daarbij al snel als vanouds in de steek liet, besloot ik dat het toch om een aardige som geld zou moeten gaan. Ik kon er waarschijnlijk de rest van het jaar buitenshuis van dineren bij kaarslicht, misschien had ik er in al die jaren wel een aardig tweedehands autootje uit bespaard. Ik kon het niet ontkennen: ik was trots. Trots op het onnozele maar bewonderenswaardige feit dat ik nog nooit een euro aan de kapper had besteed, trots dat geen onbekende ooit met mijn haardos aan de slag was geweest.

Al sinds ik de wereld op handen en knieën begon te ontdekken werd mijn kinderkuifje in stand gehouden op de keukenstoel van mijn tante. Zij zwaaide ooit met lof af van de kappersacademie, maar vond een eigen kapsalon te veel gedoe. Daarom besloot ze klanten gewoon bij haar thuis te ontvangen, eerst met een kop dampende Senseo in de woonkamer, en daarna naar de keuken, waar men een zwart, bij de keel knellend schort kreeg omgehangen. Na twintig tot dertig minuten van eindeloos geouwehoer en geknipknipknip later, stonden de klanten weer op en rekenden af, daarbij niet zelden een aardige fooi achterlatend. Ik, kroonprins van de familie Roumen, kreeg natuurlijk altijd een voorkeursbehandeling waardoor die laatste stap achterwege gelaten mocht worden. Mijn sprankelende aanwezigheid was vanzelfsprekend voldoende.       
Na verloop van tijd nam mijn moeder uit veelal praktische overwegingen die taak over. Ook zij studeerde een blauwe maandag aan de kappersschool, maar haar diploma hing zogezegd niet ingelijst boven haar bed. Afijn, toen ik samen ging wonen met Lisa vond mijn moeder al dat kappen genoeg: ze hing haar scharenset aan de wilgen. Een groots drama brak voor mij aan, een jaar of zes geleden, want wat nu? Ik ging mij toch niet verlagen tot het verwerpelijke niveau van het volk, van het plebs? Ik ging toch zeker niet, potverdorie, in zo’n kapperswachtruimte zitten bladeren in de Weekend? Maar wat was het alternatief? Lisa studeerde gezondheidswetenschappen aan de universiteit van Maastricht, met daarna een aanvullende master in de ontwikkelingspsychologie. Ik ging er niet van uit dat ze daar veel practica uitvoerden met betrekking tot het aanleggen van scheidingen in mannenhaar, of dat ze daar veel met kam en tondeuse in de weer was gegaan, maar zoals vaker, zo niet altijd, was Lisa mijn enige hoop. Ik lulde en lulde en lulde als Brugman, en niet tevergeefs: een maand nadat mijn moeder ermee ophield, kreeg ik Lisa zo ver om mijn haren te knippen. Met één oog op de schaar en kam in haar handen en met het andere oog op een online tutorial ging ze naarstig aan de slag, en wat zij evenmin als ik voor mogelijk hield, gebeurde: een half uur later was mijn kop keurig gekapt. Lisa perfectioneerde het thuisknippen in de daarop volgende jaren tot in de puntjes.  Toen de coronacrisis uitbrak en zelfs de minister van medische zaken zich door zijn vrouw liet knippen, lachte ik in mijn knuistje. Dat de stumperds er nu pas achter komen in hoeverre kapsalons een overbodige luxe zijn, dacht ik. Ha! Ik keek verkneukeld naar de televisie, waar de wanhoop zich leek op te stapelen bij ijdeltuitend Nederland.

De coronacrisis was nog niet voorbij toen Lisa weer mijn oren beetpakte om ze niet van mijn hoofd te scheren, maar de kappers waren weer open. Voor mij maakte het allemaal dus niets uit, mijn haren werden toch wel geknipt – daarvoor hoefde ik alleen Lisa lief aan te kijken en de trap naar de badkamer te bestijgen. Ik was de president van mijn eigen republiek, zoveel was zeker.
‘Heb je morgen een druk programma?’ vroeg ze.       
‘Ach,’ antwoordde ik, ‘druk, druk. Wat is tegenwoordig nog druk.’ Ik vertelde haar dat ik de ochtend nadien naar school moest, om een video op te nemen voor de examenkandidaten van dit jaar die hun diploma zouden krijgen. De festiviteiten die in andere jaren voor de laatstejaars werden georganiseerd – feestelijke aangelegenheden waarbij docenten jaren opgespaarde studentenergernis uitspuiden door buitengewoon gênante anekdotes te berde te brengen – waren vanwege het virus in een vroeg stadium reeds afgelast. Maar de studenten hadden niet te treuren: in plaats daarvan zou iedere docent in het bijzijn van een cameraploeg over elke student geïnterviewd worden, en de video’s die daarvan werden gemaakt konden de alumni dan thuis bekijken. Zo had elke student een video waarin een verzameling van alle mensen die hem of haar in de afgelopen jaren hadden verveeld, geïrriteerd en getergd een al dan niet aardig woordje sprak.      
‘Wat leuk,’ zei Lisa, klikte de tondeuse uit en haalde een kam door mijn haar. ‘Een origineel idee. Ik wou dat ik dat had gehad, vroeger. Nee, ik kreeg mijn diploma in m’n klauwen gedrukt, moest op de foto met twee bejaarden die ik nog nooit had gezien en dat was het dan.’       
Ik lachte omdat ik me haar onbeholpenheid herinnerde, maar Lisa strafte dat meteen af door een strenge hand op mijn schouder te leggen. ‘Stil blijven zitten,’ zei ze onverbiddelijk, ‘of wil je soms oorloos door het leven?’
Nee, besloot ik na een korte overdenking. Oorloos door het leven – dat was niets voor mij. Ik bleef derhalve braaf stil zitten.

Verveling was er niet bij. Hoewel ze er aanvankelijk weinig zin in had, was het haar toch weer gelukt om in een mum van tijd mijn hoofdhaar te beteugelen. Ik stond op, klopte wat plukjes haar van me af en zocht mezelf in de badkamerspiegel.
‘En?’ vroeg Lisa. ‘Is het wat?’ Ze begon alle spullen al op te ruimen, hoorde ik. De scharen rammelden in het etuitje, het opzetstuk werd van de tondeuse geklikt. Het geluid van bespaarde euro’s, dacht ik. Het geluid van onafhankelijkheid.         
‘Ja hoor,’ antwoordde ik, ‘je hebt jezelf weer overtroffen.’ Ik bekeek mijn hoofd van alle kanten en alle perspectieven toen ik zag dat er bovenop mijn hoofd nog een pluk te lang was. Ik riep Lisa en liet haar professionele amateuroog bepalen of er nog iets af moest.
‘Inderdaad,’ zei ze zuchtend, ‘ga maar weer zitten.’ Het etuitje rammelde opnieuw, en al snel dwarrelden donkere haartjes gemoedelijk als zomersneeuw voor mijn ogen naar beneden.     
Lisa vloekte, bezorgde me een halve hartstilstand. Werd ik toch oorloos? Of erger?
‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Wat is er? Wat is er?’      
‘Ik knip hier bijna in mijn vingers,’ zei ze geïrriteerd, ‘met die kutschaar en dat kuthaar van jou dat altijd alle kanten op groeit behalve eens een keer de goede.’
Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat ze het plots een beetje gehad had, dat knippen, dus ik probeerde haar gerust te stellen. Het is een vrouw, dacht ik terwijl ik me klaarmaakte om te spreken, en vrouwen wisselen nogal snel van emoties. Dat is niet erg, dat is knap. Jongleren met gevoelens – je moet het maar kunnen.  Preventief dacht ik: ze bedoelt het niet zo.        
‘Lukt het niet?’ vroeg ik poeslief, en ik wachtte het antwoord niet af. ‘Ik kan me voorstellen dat dat vervelend is. Pak anders de tondeuse, dat gaat meestal wat makkelijker. Erop zetten en rondjes draaien, dat is het beste. Dan pak je alle haren mee.’
Weer kon ik wat ze deed niet zien, maar wel horen. Een laatste keer hoorde ik het etuitje: de scharen werden weer opgeborgen. Daarna nogmaals het geruststellende gebrom van de tondeuse.     
‘Komt ‘ie,’ zei ze, en in de seconde daarna stortte mijn wereld in. Zo snel als Lisa de tondeuse terugtrok, kneep ik mezelf in mijn arm om er zeker van te zijn dat het geen droom was, een gruwelijke nachtmerrie waarmee ik morgen de sier zou maken in de docentenkamer. Ik werd niet wakker, en daarom bracht ik mijn hand naar mijn hoofd. Ondertussen had ik me omgedraaid en zag ik Lisa’s ogen, die uit hun kassen leken te knallen. Ze murmelde woorden die ik niet verstond of niet wilde verstaan, en zodra mijn hand de kale huid aan de bovenkant van mijn hoofd aanraakte, mompelde ik met haar mee. Alle gedachten en emoties verdwenen uit de ruimte en alles wat overbleef was ongeloof en verwarring. Wat nu? Wat te doen? Lachen? Huilen? Nog maar eens voelen: nog steeds haarloos. Toch maar huilen dan? Woordeloos gaf ik mijn telefoon aan Lisa, gebaarde dat ze een foto moest maken. Misschien viel het allemaal mee, zo stelde ik mezelf gerust, misschien was het nauwelijks te zien en alleen te voelen. En wie ging er nu aan de bovenkant van mijn hoofd voelen? Niemand toch zeker? De camera flitste en ik had mezelf er al van overtuigd dat er feitelijk weinig aan de hand was, ondanks de lijdenskreuntjes die Lisa’s mond verlieten. Ik draaide me naar haar om, en ze schudde haar hoofd, als een dokter tijdens een slechtnieuwsgesprek. Nee, er is geen kans meer dat u beter wordt. Het is een kwestie van weken, misschien van dagen. Ik wens u het allerbeste, en de vriendelijke groeten.          
‘Toon,’ zei ze, en ik zag hoe de tranen zich in haar ooghoeken verzamelden. ‘Ik ben vergeten het opzetstuk op de tondeuse te zetten en ik weet niet hoe ik dit ooit goed kan maken.’      
Ze overhandigde me mijn telefoon, en nu werden ook mijn ogen vlug vochtig. Boven op mijn hoofd zat een grote kale streep van zeker twintig centimeter. Alle prille hoop van zojuist was verdampt. Voor het eerst in mijn leven begreep ik ze volkomen, de brugspringers, de broodroosterbadderaars. Het leven, dat was bij nader inzien toch eigenlijk niets anders dan een reeks van intense teleurstellingen – met de dood als triest maar welkom dieptepunt? Waren we levenloos niet vele malen beter af?        
‘Wat nu?’ vroeg ik wanhopig, en ik keek naar de grond. Daar lag het, mijn haar, een dikke dot. Zou het – zou ik het kunnen lijmen? En hoe moest dat dat? Met een prittstift? Secondelijm? In de schuur lag een lijmpistool, wist ik. Wie weet was daar iets mee aan te vangen.     
Nee, ik wuifde het idee weg.       
Lisa stond als verstijfd in het midden van de kamer. Vrijwel meteen zag ik dat ik aan haar de komende tien, vijftien minuten niets zou hebben. Verlamd door schuldgevoel – ik kon het me goed voorstellen. Of dat schuldgevoel terecht was, of ik boos was, dat wist ik eigenlijk niet. Eventueel ruziemaken was voor later zorg, nu moest ik helder nadenken.      
De vloek die ik uitsprak, kwam uit mijn tenen. Ik had me gerealiseerd wat de gevolgen waren van dit debacle. In een flits zag ik ze voor me, de cameraman en interviewster die ik morgen te woord moest staan om een woordje over de examenkandidaten te doen. Ik kon dat toch niet zó doen? Alhoewel ik die studenten niet meer onder ogen hoefde te komen, wist ik zeker dat de roddel binnen geen tijd de rest van de school zou bereiken, mij daarmee in een oneindig diepe put van schaamte stortend. Ik had er jaren over gedaan om duidelijk te maken dat in míjn les geen petten of mutsen gedragen mochten worden (‘Ik wil jullie mooie bolletjes kunnen zien,’ zei ik zo vaak dat studenten na een tijdje hun monden meebewogen op het ritme van de zin), dus de optie om tijdens het interview een hoofddeksel te dragen, viel ook af.  
Er zat welbeschouwd maar één ding op.          
‘Ja, met Toon,’ zei ik trillend rillend toen mijn teammanager de telefoon had opgenomen. ‘Ik geloof dat ik even iets moet vertellen.’ Terwijl Lisa nog altijd stokstijf stond, grote ogen en haar handen voor haar mond, vertelde ik wat er was gebeurd. Ik was nog niet uitgesproken of de man barstte los in een uitbundig en groots gelach, dat ik alleen kende van lachbanden onder Amerikaanse sitcoms. Zijn reactie verwarde me zo mogelijk nog meer: dat lachen ook een optie was, was nog niet in me opgekomen. Ik gaf hem desalniettemin geen ongelijk.          
‘Dus,’ ging ik weifelend verder nadat zijn ergste lachstuipen voorbij waren, ‘ik vraag je eigenlijk of ik permissie heb om … zeg maar … niet op beeld te verschijnen morgen. Eigenlijk wil ik gewoon de deur niet uit.’           
Goddank deed de man niet lastig. Het woord ‘overmacht’ viel en ik mocht thuisblijven, wat de ellende jammer genoeg nog steeds weinig reduceerde. Inmiddels zat ik namelijk nog steeds met een enorme kaaljaap op mijn kop. Lisa was ondertussen gelukkig wedergekeerd op aard, zag ik, zodat ik de tragiek van mijn bestaan met haar kon delen.        
‘We moeten het verven,’ zei ze echter voordat ik met dat proces kon beginnen. ‘Daar is spul voor, bij de drogist.’ Een snelle zoektocht op internet leerde dat ze gelijk had. Magic Retouch, heette het goedje, dat op de markt is gekomen voor grijzende vrouwen die zichzelf en hun omgeving voor de gek willen houden. ‘Ik ga meteen,’ zei Lisa, en maakte dat ze wegkwam.

Daar zat ik dan, door alle levensvreugde en God verlaten, oncomfortabel alleen op een oncomfortabele kruk in een oncomfortabele stilte terwijl op de grond lag wat ik zo begeerde: haar. Een blik op mijn knieën leerde dat zich zelfs daar meer haar had verzameld dan op de plek op mijn hoofd. Omdat de aanblik van mijn kortgebroekte benen me daarom deprimeerde, wendde ik mijn blik af, en besloot, in stilte lijdend, te wachten op de terugkomst van Lisa. Ik kreeg gelukkig niet al te veel tijd om medelijden met mezelf te hebben , want na een minuut of tien al sprong ze in grote stappen de trap op. Ze had een klein, blauw flesje in haar handen. 
‘Dat moet het zijn,’ hijgde ze. Ik keek naar haar, zag haar schuldbewuste blik en hangende schouders, en ik besloot niet boos te zijn. Hoe kon ik ook.
‘Goed,’ zei ik opgewekter dan ik was, ‘we gaan er het beste van maken.’ Ik boog mijn hoofd voorover, mompelde iets als ‘spuiten maar’ en voelde hoe een onnatuurlijke kou zich tegen mijn kale achterhoofd plakte. Toen ik even later de foto zag die Lisa nogmaals van mijn achterhoofd had gemaakt, moest ik toegeven dat het magic in Magic Retouch niet eens al te hyperbolisch diende te worden opgevat: het zag er werkelijk goed uit. Vanzelfsprekend nam dat niet weg dat men op basis van mijn haardracht nog altijd kon suggereren dat mijn Parkinson-kapper tijdens het werk een attaque gekregen had, maar het meeste oorlogsgeweld was verdwenen.              
‘Goh,’ zei Lisa ook, ‘het wordt echt beter.’                    
‘Zou ik, denk je, zo bijvoorbeeld naar de winkel kunnen gaan zonder al te veel voor lul te lopen?’ probeerde ik voorzichtig.  
Haar nadenken was haast hoorbaar. ‘Dat zou je kunnen doen,’ zei ze na een tijdje aarzelend, ‘maar ik stel voor dat ik de komende dagen gewoon naar de winkel ga.’ Ze dacht nog even na, en besloot toen: ‘Ja, ik zal het doen. Dat is beter.’

En zo kwam het dat ik in de dagen die volgden elke afspraak in mijn agenda die ik lijfelijk bij diende te wonen, moest afzeggen. Afhankelijk van degene met wie ik een afspraak had, vertelde ik de beschamende waarheid of een zo niet nog beschamender leugen. De ene keer verzon ik een plots veranderende dienstregeling van het openbaar vervoer, de andere keer fantaseerde ik een collega met wie ik naar het ziekenhuis moest en dan eens leed ik aan een acute ‘hoofdpijn’ – dat laatste kon in bepaalde mate letterlijk worden genomen. Op internet zocht ik naar manieren om haar zo snel mogelijk te laten groeien – massages, haarmaskers, vitamines – maar veel mocht het niet baten. Ik moest wachten, wist ik, mijn goede vriend De Tijd de hand schudden. En alhoewel ik vaak somber was, vooral ’s ochtends, na de eerste, besefvrije seconden van de dag, was er één gedachte die me vaak op de been hield: al dat geld, dat had ik toch maar mooi bespaard. Zodra mijn haar was aangegroeid, zou ik Lisa ervan mee uit eten nemen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s